• Dinsdag, 28 Maart 2017
  • 1 Nisan, 5777
  • Laatste update 22 Maart 2017 19:55

Restaurant Hoffy’s viert 25ste verjaardag

  • Zondag 20 Juli 2014 12:46
”Zelfs vanuit het buitenland krijg ik aanbiedingen om nieuwe restaurants te openen. Ik blijf liever een kleine man”

Dit artikel verscheen eerder in Joods Actueel Magazine – neem nu een abonnement!

Een kwart eeuw geleden stampten Moishi (52), Janki (48)en Yumi (50) Hoffman het Jiddische restaurant Hoffy’s uit de grond. De drie broers kenden een moeilijke start, maar met de benoeming van Antwerpen tot Culturele Hoofdstad in ‘93, kreeg het restaurant een boost. Sindsdien werd Hoffy’s al in menig culinair magazine geloofd voor z’n koosjere, karaktervolle keuken.

Tekst: Jochen Vandenbergh Foto’s: Hatim Boubakra

“Het enige echte Jiddische restaurant van Europa, zelfs in New York kunnen ze niet tippen aan Hoffy’s”, zo omschreef Claudia Roden, auteur van het boek De Joodse keuken, 800 authentieke recepten uit de diaspora, onlangs nog Hoffy’s. Een compliment dat kan tellen en dat de broers Hoffman met trots dragen.

”Zoiets als een typische, authentieke Joodse keuken bestaat eigenlijk niet”, wil Yumi, kort voor Benjamin, wel meteen duidelijk stellen. ”Het Joodse volk leeft al eeuwenlang verspreid over de hele wereld. De meeste van ons konden zelfs niet lang op eenzelfde plaats blijven omdat we werden weggejaagd of moesten vluchten. Die geschiedenis heeft ook een impact gehad op onze keuken. Wij hebben overal ter wereld de lokale gerechten leren kennen en deze gaan bereiden volgens onze eigen godsdienstige spijswetten. Eigenlijk combineren wij verschillende keukens uit de hele wereld. De Joodse keuken is dus vooral een kosmopolitische keuken”.

Yumi en zijn broers werden rond de jaren ’60 geboren in de Lange Kievitstraat, waar Hoffy’s vandaag nog steeds huist. Vader en moeder Hoffman waren echter op weg naar Amerika toen ze in 1948 in Antwerpen belandden. De oorlog overleefden ze in Hongarije. Omwille van visumproblemen bleef het gezin echter in Antwerpen hangen. ”Maar mijn vader zei altijd dat hij daar nooit spijt van heeft gehad”, aldus Yumi. “Integendeel, hij heeft ons meermaals verteld dat hij België een erg aangenaam land vond en hoe blij hij wel was dat we hier konden blijven. Persoonlijk vind ik Antwerpen ook een geweldige stad. Elke dag wordt bovendien beter. Buurten leven op, straten worden properder en steeds vaker vinden toeristen hun weg naar de stad en ook naar ons”.

Halfweg de jaren ’80 openden de broers het restaurant Hoffy’s. Als prille twintiger had Yumi zijn kans gewaagd in de diamantsector. “Die business werd toen nog gedomineerd door Joodse handelaars”, legt Yumi uit. “Het was haast vanzelfsprekend dat ook ik op een dag bij de diamant zou worden betrokken. Even heb ik in een goudwinkel gewerkt, maar die handel lag mij niet. Ik was opgegroeid tussen eten. Mijn ouders runden hier in Antwerpen een viswinkel (De viswinkel Hoffman bestaat nog steeds in de Lange Kievitstraat, maar wordt niet meer door de ouders uitgebaat. nvdr.) en ik wou in hun voetsporen treden. Geld heeft mij eigenlijk nooit veel geïnteresseerd. Uiteraard moet een mens eten en voor zijn gezin kunnen zorgen, maar ik heb nooit verlangd om rijk te worden. Ik wou vooral mijn kennis van eten delen en de mensen vrolijk maken. Dan kom je al snel bij een restaurant uit. Eten is namelijk het mooiste wat er is in het leven. Iedereen tafelt graag met familie of vrienden. In eender welke cultuur is eten een feest. Of je nu Jood, moslim of katholiek bent. Eten brengt mensen samen. Nochtans kenden we een moeilijke start”.

Eten en cultuur

Yumi en zijn broers startten met hun zaak in de Hoveniersstraat, het hart van de diamantwijk. De edelsteen werd toen nog hoofdzakelijk geslepen en verhandeld in Joodse bedrijven. “Hier kunnen wel koosjere, Jiddische maaltijden gebruikt worden”, zo dachten de broers. Helaas liep het avontuur niet zoals gepland. De zaak bleek veel te groot en het klantenbestand wou maar niet groeien. “We kookten telkens voor dezelfde handvol mensen die dan nog meestal dezelfde gerechten wensten”, aldus Yumi. “We konden onszelf niet ontplooien en besloten om uit het diamantkwartier te vertrekken en zo de deur open te zetten voor een ruimer cliënteel. Een multicultureel Jiddisch restaurant, dat was ons doel. Met vier tafeltjes zijn we hier gestart in de Lange Kievitstraat. Ook dat liep aanvankelijk niet van een leien dakje, maar elke zaak heeft tijd nodig. Het tij keerde voor ons toen Antwerpen in 1993 de kroon kreeg van Culturele Hoofdstad van Europa.

Toeristen stroomden toe en ons restaurant lag op de route van Antwerpen Averechts, een alternatieve toeristische wandeling door de stad. Heel veel mensen passeerden hier en begonnen vragen te stellen. In het begin voelden de meeste zich wat onwennig. De Joden in Antwerpen staan namelijk bekend als een erg gesloten gemeenschap die nogal op zichzelf leeft. Men had dus wat schroom om op ons af te stappen en twijfelde over vragen, maar ik en mijn broers deden niets liever dan ze te beantwoorden. Gaandeweg aten de mensen hier ook een hapje. Vandaag krijgen wij jaarlijks overigens nog honderden studenten over de vloer met vragen over de Joodse cultuur. Zij moeten dan meestal een spreekbeurt maken over de Joden in Antwerpen of een opstel maken over onze eetcultuur. Wij staan hen altijd zo goed mogelijk te woord. Het doet ons deugd dat anderen daarin geïnteresseerd zijn en wij ze met onze voeding een beetje vertrouwd kunnen maken met het Jodendom. Onbekend is namelijk onbemind”.

Paul de chef-kok

De broers Hoffman zijn diep religieuze chassidische mensen. Elke werkdag begint voor hen met een bezoek aan de synagoge. Het spreekt voor zich dat de broers dan ook streng toezien op de kasjroet, het geheel van spijswetten zoals beschreven in de Thora. Koosjer is Hebreeuws voor ‘geoorloofd’. Alle gerechten worden dan ook met natuurlijke geoorloofde ingrediënten bereid. Er komen geen smaakstoffen, geen kleurstoffen, geen E-nummers of wat dan ook van chemische voedingstoffen aan te pas. Opmerkelijk genoeg staat er echter al ruim twintig jaar een niet-Jood achter het fornuis van Hoffy’s.

“In begin was men hier wel wantrouwig, maar wat wil je?”, vertelt chef-kok Paul De Clercq. ”Als niet-Jood kende ik nauwelijks iets van koosjere voeding. Ik werd aanvankelijk dan ook heel nauw in de gaten gehouden, maar de broers gaven me een eerlijke kans. Voor mij was het ook aanpassen. Je hebt geen idee wat er allemaal bij komt kijken. Alle groenten moeten grondig worden geïnspecteerd op insecten. Bij witloof bijvoorbeeld moet ik wel degelijk blaadje per blaadje keuren. Je kan je afvragen hoeveel tijd wij zouden steken in het bereiden van spruitjes. De broers zijn ontzettend consequent in het naleven van al die strikte regels. Zo herinner ik mij dat er in de friteuse voor de aardappelen een stukje vlees was gevallen. De olie werd dan onmiddellijk vervangen en de friteuse grondig gereinigd.

De rabbijn werd daar zelfs bijgehaald. Overigens komt de opzichter van het rabinaat hier elke dag om te controleren of we de kasjroet wel correct toepassen. Deze opzicher moet ook de vuren van het fornuis en de oven aansteken. Als niet-Jood mag ik dat zelf niet. Maar dat went en ik voel me hier goed. Toen ik bij mijn sollicitatie opmerkte dat het om een koosjer restaurant ging, dacht ik dat mijn kansen verkeken waren. Ik ging er vanuit dat ze wel een Joodse kok zouden aannemen. Nu, 22 jaar later sta ik hier nog. Al die tijd al kijken de broers streng toe op de joodse voedingswetten, maar ze gunden mij ook de tijd om alles te leren”.

”In het begin hebben we wel eens eten moeten weggooien omdat het niet voldeed aan de regels, maar wie geen fouten mag maken, leert niets”, vult Yumi zijn chef-kok aan.

“Bovendien is de Jiddische keuken de moeilijkste keuken. Onze gerechten vragen vooral tijd. Een Jiddische moeder zit gemiddeld 3,5 uur per dag in de keuken om het eten voor het gezin te bereiden. Alles moet heel nauwgezet en aandachtig gebeuren. Wij koken volgens de vele regels van ons geloof. Daar wijken wij geen millimeter van af. Vandaag een millimeter betekent volgend jaar een kilometer. Paul heeft dat allemaal moeten leren. Ik heb overigens nog niet-Joods personeel. Iedereen is hier welkom. Veel van onze klanten zijn overigens niet-Joden. Het probleem onder de chassidische gemeenschap is de grote armoede. De oorzaak is vooral het wegtrekken van de ruwe arbeid in de diamant naar de lage loonlanden. Dat gebeurde in wel meer sectoren zoals de textiel, alleen was de chassidische gemeenschap niet echt voorbereid op deze veranderende wereld. Ik vind het heel erg jammer dat zo weinig chassidische Joden nog kunnen uit gaan eten. Zeker voor de moeders. Zij hebben een zware opvoedingstaak, want chassidische gezinnen tellen veel kinderen. Al die moeders verdienen het dubbel en dik om eens wat tijd te maken voor zichzelf bij een lekker etentje. Zij hebben die ontspanning ook nodig.

Helaas hebben ze daar de centen niet voor en gezien de huidige economische toestand zie ik de ultraorthodoxe Joodse gemeenschap nog niet meteen rechtveren uit de financieel penibele situatie. Wij hadden destijds een startkapitaal van 136.000 oude Belgische frank. Als je dat geld vandaag al hebt, wat kan je er dan mee doen? Voor ons gaan de zaken ondertussen oké. Wij kunnen een normaal leven leiden. Na een kwarteeuw is ons restaurant bekend bij het grote publiek. We hebben dan ook al tal van aanbiedingen gekregen om een tweede zaak te openen, ook in het buitenland. We weigeren dat steeds. Nogmaals, ik blijf liever een kleine man. Het sociaal contact met de klanten is wat telt voor mij en bovendien wil ik ook tijd hebben voor mijn gezin. Samen met het gezin kunnen tafelen, dat zijn toch waardevolle momenten in het leven. Zo is elke dag een feest. Zeker als mijn lievelingskost op het menu staat: gevulde koolrolletjes als voorgerecht, dan een bord lekkere kipbouillon met matseballetjes en als hoofdgerecht een stukje lam met rijst, boekweit en groentjes. Heerlijk!”