Een bom op Auschwitz
Auschwitz
Alexandra S. Villers
Twee weken geleden reisde ik naar Oświęcim om deel te nemen aan een journalistiek seminarie over Auschwitz-Birkenau, het grootste concentratie- en vernietigingskamp van de nazi’s, waar volgens Winston Churchill « waarschijnlijk de grootste en verschrikkelijkste misdaad uit de hele wereldgeschiedenis » plaatsvond. Massamoordenaars zoals Mao en Stalin mogen dan meer doden op hun geweten hebben dan onze besnorde dictator, maar aan hun misdaden hielpen de regeringen van andere landen niet vlijtig mee.
Tijdens mijn onderzoek over de geschiedenis van de Holocaust stuitte ik op een interview met Roy Casagranda. Voor wie hem niet kent: Casagranda is een Amerikaanse politicoloog en docent Government aan het Austin Community College, die zich daarnaast nadrukkelijk als historicus en publiek intellectueel profileert. Een begenadigd verteller — dat moet hem worden nagegeven — met een bijzondere voorliefde voor de geschiedenis van het Midden-Oosten.
Zijn uitspraken doen vermoeden dat hij zich aan de uiterste linkerzijde van het politieke spectrum bevindt. En zoals het marxisten wel vaker betaamt, koestert hij een bewondering voor de islam, die hij verdedigt met een ijver waarvan zelfs een subsaharaanse imam zou opkijken.
Als meester in het eufemiseren maakt hij van de islamitische wereld een bakermat van tolerantie en kennis. Arabische veroveringen worden beschavingsontmoetingen en kindhuwelijken verschrompelen tot culturele anomalieën. De westerse beschaving krijgt opvallend minder krediet: haar wetenschappelijke verwezenlijkingen zijn bij Casagranda doorgaans niet meer dan herkooksels van ideeën die moslims eeuwen eerder al zouden hebben bedacht. Zijn podcast belooft dan ook « uitgewiste » volkeren en waarheden bloot te leggen en traditionele historische narratieven uit te dagen.
Prima. Iedereen kijkt door een bepaalde bril naar de geschiedenis. Maar soms worden de glazen zo troebel dat men niet langer naar het verleden kijkt, maar naar een zelfgeschreven scenario.
Dat gebeurde toen Casagranda over de Shoah begon. Over de collaboratie van Arabische legers met nazi-Duitsland repte hij geen woord. Zijn pijlen waren gericht op de Verenigde Staten, die weigerden Auschwitz te bombarderen. Achter die beslissing vermoedde hij een bijzonder sinister motief: de extreem antisemitische Amerikanen wilden de Holocaust zo gruwelijk mogelijk laten worden en « meer Joden laten sterven ». Enkel een catastrofe van voldoende omvang zou na de oorlog de internationale steun voor de oprichting van Israël verzekeren, en als die staat eenmaal bestond, zouden Amerikaanse Joden eindelijk emigreren. Een onbewezen scenario, maar nog storender is het feit dat hij deze antisemitische Amerikanen zionisten noemt.
De correcte definitie van een zionist is een individu dat gelooft in het zelfbeschikkingsrecht van het Joodse volk in haar eigen ancestrale thuisland, niet iemand die wilt dat de Joden opkrassen naar dat land omdat hij ze beu is. Zo’n persoon zou het even goed vinden dat alle Joden werden verbannen naar Mauritius. Het is niet alleen betreurenswaardig dat een historicus deze nuance niet begrijpt, maar ook dat hij hiermee olie gooit op het vuur van de hedendaagse Jodenhaters. U kent ze wel, de Hamasdwepende laptopmartelaren met Iraakse ruitjesdoeken die het zionisme demoniseren en hun antisemitisme op die manier deskundig kunnen maskeren als « anti-zionisme » — een multisyllabische term die ze amper kunnen uitspreken, maar ze doen hun best. Diezelfde nuttige idioten bagatelliseren of ontkennen ook vaak de Holocaust. Maar het liefst doen ze aan Holocaust-inversie:
« Wat de Joden nu doen met de Palestijnen, is even erg. »
Een nazi-exterminatiekamp, of deze nu Auschwitz, Treblinka, Bergen-Belsen, Sobibor, Majdanek, Westerbork, of Breendonk heette, vergelijken met Gaza, is niet alleen een vorm van (on)gewilde onwetendheid, maar ook de ergste vorm van antisemitisme. De metamorfose van Holocaust-slachtoffers — of 7 oktoberslachtoffers — tot daders van een nieuwe Shoah met de nieuwe naam Naqba, rechtvaardigt hun hebrefobie en sust hun geweten. Maar het verrot hun ziel, omdat het zo’n grote leugen is. Een leugen waar Casagranda en miljoenen anderen vandaag in geloven.
Positief is het feit dat hij de weigering van de Amerikanen om Auschwitz, maar ook alle andere executiekampen en de logistiek erheen, te bombarderen, terug aan het licht brengt. Nochtans beschikten zij over voldoende informatie: de ontsnapte gevangenen Rudolf Vrba en Alfred Wetzler maakten in 1944 een uitvoerig rapport met een uit het geheugen opgetekende plattegrond en schattingen van de dodentallen. De Slowaakse rabbijn Michael Dov Weissmandl stuurde dit door naar de geallieerden met het dringend verzoek de gaskamers, de spoorlijnen en de bruggen op de routes naar Auschwitz te vernietigen, maar de Adjunct-minister van Oorlog John J. McCloy wees het af. De Britse codekrakers in Bletchley Park onderschepten bovendien Duitse radioberichten over massa-executies. Hun verkenningsvliegtuigen fotografeerden het complex vanuit de lucht. Maar niemand deed iets.
Waarom?
Het blijft een van de pijnlijkste vragen uit de Tweede Wereldoorlog. Beseften zij dan toch niet goed wat er zich in de kampen afspeelde? Een mythe die lang heeft standgehouden, maar die niet klopt. De Britten verzonnen het excuus van « technische redenen » zonder deze ooit te preciseren. Het bezwaar van de VS was iets uitgebreider: een aanval op Auschwitz zou luchtmachtcapaciteit afleiden van operaties tegen de Duitse oorlogsmachine. Het bombarderen van relatief kleine doelen zou bovendien risicovol zijn en grote aantallen gevangenen kunnen doden. De doctrine was eenvoudig: concentreer alle middelen op de militaire nederlaag van Duitsland; daarmee zou ook de vervolging eindigen.
Dat klinkt rationeel, zolang men de werkelijkheid op de grond buiten beschouwing laat. Een luchtaanval op de crematoria, legt Vrba uit, had veel meer kunnen doen dan enkel gebouwen vernielen. Het zou de nazi’s hebben getoond dat de wereld op de hoogte was van hun genocide. Het zou de verzetsbeweging in het kamp moed hebben gegeven. En in de ontstane chaos hadden gevangenen mogelijk kunnen ontsnappen, of zelfs vernietigingsinstallaties kunnen saboteren.
De militaire argumenten worden nog minder overtuigend wanneer men weet dat Amerikaanse bommenwerpers in 1944 wél de installaties van IG Farben bij Monowitz aanvielen, slechts enkele kilometers verder! Ze kenden de details van de Entlösung der Judenfrage, maar maakten de redding van een volk ondergeschikt aan andere oorlogsdoelen. En de historische documentatie onthult dat antisemitisme daarbij een niet te onderschatten rol speelde.
Antisemitisme was immers geen uitsluitend Europees verschijnsel. Waarom was het Amerikaans vluchtelingenbeleid zo restrictief en kwamen reddingsoperaties tergend traag op gang? Waarom was het redden van Europese Joden nooit een officiële oorlogsdoelstelling? Het gaat nog verder: eind 1943 werd ontdekt dat ambtenaren van het State Department informatie over de massamoord hadden tegengehouden. Hun interne rapport droeg niet voor niets de vernietigende titel Report to the Secretary on the Acquiescence of This Government in the Murder of the Jews. Ook in het Amerikaanse staatsapparaat woekerde Jodenhaat: op dat punt heeft Casagranda gelijk. Maar deze Jodenhaters zionisten noemen, is malafide.
Het enig waardevolle aan het interview met deze man is dat hij de luisteraars herinnert aan de inertie en het morele failliet van de Amerikaanse overheid, die een moordmachine had kunnen ontregelen en levens had kunnen redden, maar die er bewust voor koos dit niet te doen.
« The only thing necessary for the triumph of evil is for good men to do nothing ». Wie zei dat ook weer?
Toch vond bijna een explosie plaats in het grootste doodskamp van Europa. Niet dankzij hen die het gemakkelijk hadden kunnen droppen en daar ook de morele plicht toe hadden, maar dankzij de gevangenen zelf. Maandenlang smokkelden Joodse vrouwen minuscule hoeveelheden buskruit uit de munitiefabriek van Union, waar zij granaatonderdelen voor de nazi’s moesten maken. Het poeder bereikte de mannen van het Sonderkommando, die er primitieve explosieven van maakten. Tijdens de opstand van 7 oktober 1944 werd Crematorium IV in brand gestoken en zwaar beschadigd. Er waren ook pogingen om crematoriuminstallaties met explosieven op te blazen, maar die slaagden niet zoals gepland.
De prijs was gruwelijk. 451 Sonderkommando-leden kwamen om tijdens de gevechten en vluchtpogingen, en 200 gevangenen werden geëxecuteerd als vergelding. Róża Robota, Ala Gertner, Ester Wajcblum en Regina Safirsztajn werden gemarteld en op 5 januari 1945 opgehangen, nauwelijks drie weken vóór de bevrijding van het kamp.
Toen ik zelf in Birkenau stond, zag ik de ruïnes van de crematoria met eigen ogen. Tegen het einde van de oorlog probeerden de nazi’s hun sporen uit te wissen door de vernietigingsinstallaties te ontmantelen en de crematoria op te blazen. Ze slaagden daar maar gedeeltelijk in. Grote stukken beton, muren en bakstenen liggen er vandaag nog altijd. Wat bedoeld was om het bewijs van hun misdaden te vernietigen, werd uiteindelijk zelf een tastbaar bewijs ervan.
Terwijl de vrije wereld bleef afwegen en talmen, waagden ter dood veroordeelden hun laatste restje leven voor wat allang uit de hemel had moeten vallen…
Een bom op Auschwitz.
Alexandra S. Villers is journaliste en publieke spreekster voor het Joods Informatie- en Documentatie Centrum, Hart voor Israël en BeNews.
