• Donderdag, 25 Mei 2017
  • 29 Iyyar, 5777
  • Laatste update 17 Mei 2017 17:06

Documenten inbeslagname Joods goed nu veilig in Rijksarchief

  • Donderdag 15 Mei 2014 8:52

archief

Op dinsdag 22 april heeft Karine Lalieux (PS), de Brusselse schepen van Cultuur, de documenten over de Verwaltung des Jüdischen Grundbesitzes in Belgien overhandigd aan haar partijgenoot Phillipe Courard, de federale staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid. Het betreft vijfentachtig archiefdozen, op een rijtje geplaatst, vijfendertig meter lang. Ze bevatten de officiële stukken over de geroofde eigendommen van Joden tijdens de Duitse bezetting.

De documenten waren al in 1970 na de nodige omzwervingen in de Brusselse stadsarchieven beland maar de Brusselse PS-politici zijn er pas vorige maand in geslaagd – bijna vijftig jaar later – de documenten een veilig onderkomen te bezorgen in het Rijksarchief. Wetenschappers kunnen nu werk maken van de inventarisatie van dat archief.

De federale overheid had al langer aangedrongen op de overplaatsing van de stukken naar het Algemeen Rijksarchief. Als reden daarvoor werd aangevoerd dat de Brusselse documenten bij het publiek onvoldoende bekend waren. In het Rijksarchief zullen de documenten na de inventarisatie ook door het publiek geraadpleegd kunnen worden, zonder te moeten vrezen dat ze verdwijnen. Het wegmoffelen van documenten in slecht beheerde stadsarchieven is genoegzaam bekend.

De onderzoekers van het SOMA werden bij hun opdracht om de collaboratie van de Belgische overheid tijdens WOII in kaart te brengen, geconfronteerd met dit fenomeen. Zo kwam de belabberde toestand van de archieven in Franstalig België aan het licht waarbij zelfs volledige politiearchieven verdwenen waren. Daardoor kon in “Gewillig België” minder ingegaan worden op de collaboratie van Franstalige overheden.

Tijdens het zevenjarig bestaan van Joods Actueel heeft onze redactie zelf kunnen vaststellen dat in meerdere steden collaborateurs vrije toegang kregen tot onbewaakte en onbeheerde archieven met alle gevolgen vandien. Dat was ondermeer het geval in Oostende en in Sint-Truiden. Daar werden de archieven zelfs ‘beheerd’ door een zoon van een niet onbesproken figuur. In beide gevallen kon daarmee de mogelijke diefstal of manipulatie ten nadelen van Joden niet worden hard gemaakt.

In Sint-Truiden betrof het een complete fabriek die in handen kwam van de vader van de stadsarchivaris (sic) en in Oostende ging het om een Joodse handelszaak met woning. In Oostende wou men geen inzage geven in het archief van de politie en het kadaster was men ‘toevallig’ maandenlang aan het verbouwen. Conclusie: de gewilligheid van de overheden destijds resulteert absoluut niet in een grote gewilligheid van sommige stedelijke overheden om schoon schip te maken met de wantoestanden uit het verleden.