Israël viert vandaag 61ste verjaardag, een historisch overzicht

Israël is een staat geboren uit geweld en antisemitisme. Een natie die al 61 jaar moet vechten voor zijn vrijheid en zijn bestaansrecht. Het is voor de jonge Joodse staat tot vandaag een zeer harde strijd geweest. En nog zijn de vijanden talrijk. De natie Eretz Israël is jong. Het land Israël echter is al zeer oud.

Het onooglijk kleine landje in het Midden-Oosten wordt ook vandaag nog compleet omringd door een vijandige Arabische wereld. Op wereldschaal lijkt het alsof de Joden opnieuw in een getto gevangen zitten, omringd door vijanden die deze staat niet willen erkennen. Erger nog: willen vernietigen. En toch heeft Israël zich ontwikkeld tot een hedendaagse democratische mogendheid, een multiculturele maatschappij, een economische grootmacht. Een volwaardige moderne staat waar men vol bewondering kan naar opkijken. Het was en blijft een harde strijd om een veilige toekomst.

Door Rony Boonen
D940-063Ongeveer 100 jaar geleden, in de periode 1891-1896 opperde Theodore Herzl dat er best een Joodse staat zou komen. Hij was niet de eerste. Mozes Hess en Leon Pinsker waren hem al voorgegaan en dachten in dezelfde richting. Herzl was journalist en auteur, woonde en leefde in Wenen, toen een voorbeeld van multicultureel samenleven. Als student werd hij lid van de Burschenschaft, een studentgenootschap van universitairen, en pleitte hij voor een assimilatie van de Joden in de maatschappij. Maar ook hij werd spoedig geconfronteerd met het antisemitisme. Hij verliet Wenen en werd journalist-correspondent in Parijs. Daar maakte hij de zaak Dreyfus mee. In 1896 schreef hij “Der Judenstaat” en startte een Internationale Zionistische beweging.

In die periode omstreeks 1880 was het land Palestina kaal, dor en praktisch onbevolkt. Het maakte deel uit van het Turkse Ottomaanse Rijk. Toen al kwamen de eerste Joden uit Oost-Europa en vestigden zich op de grond, aangekocht door het Joods Nationaal Fonds. Grond die de in Beiroet en Damascus wonende grootgrondbezitters verkochten en vooral bestond uit moerassen en rotsgrond die door de kolonisten vruchtbaar werd gemaakt.

Balfourtverklaring

Op 2 november 1917 kondigde Engeland de Balfourtverklaring af, waarbij gesteld werd dat Engeland positief stond tegenover de vorming van een Joodse staat in Palestina. In oktober waren de Britten het Ottomaanse rijk binnengevallen en hadden er de steun gekregen van de kleine Joodse bevolking die werd verdrukt door de Turken. Het duurde nog tot 1918 voor het toenmalige Palestina onder Brits gezag kwam.

In die tijd ontstond de Hibbat Zion en woonden er ongeveer 24.000 Joden in Palestina. Tijdens WOI kwamen nog meer immigranten en groeide hun aantal tot 90.000. Na WOI verbleven er nog 50.000 kolonisten; velen stierven aan malaria en de Arabische aanvallen werden steeds driester.

Onder de kolonisten werd de Hagannah opgericht die later de basis van het Joodse leger zou vormen en de Histadroet, een vakbond, die er voor ijverde dat steeds meer mensen kozen voor Palestina. Eind 1920 verbleven er 150.000 Joden en het aantal nam steeds verder toe.

In 1922 bevestigde de Volkenbond officieel dat Palestina Brits gebied werd en ook het gedeelte ten oosten van de Jordaan behoorde daar toe. Al in 1929 kwam het tot de eerste gewelddadige acties tegen de Joden. In Safed, Hebron en de oude wijken van Jeruzalem werden 133 Joden vermoord. In die tijd werd het de kolonisten door de Engelsen verboden om wapens te dragen.

Fascisme

Ondertussen groeide in Europa het fascisme en uiteraard het antisemitisme, dat zijn hoogtepunt zou kennen met de Shoah of de Holocaust die het leven zou kosten aan meer dan 6.000.000 Joden.

217.000 Joden immigreerden naar het Midden-Oosten in de hoop op een beter leven en een toekomst. Terwijl in Europa jacht werd gemaakt op de Joodse bevolking, organiseerden de Arabieren in 1936 zware aanvallen op de Joodse nederzettingen. Kolonisten werden vermoord, oogsten vernield en de Joodse bevolking moest ook hier op de vlucht.

In deze crisisjaren beperkten de Britten de immigratie naar Palestina. Het Joodse volk zat geklemd tussen een Europa dat hen vervolgde en het Midden-Oosten waar ze niet in mochten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kozen de Arabieren vóór Duitsland en tégen de geallieerden. De Moefti van Jeruzalem was een goede vriend van Adolf Hitler en stelde hem voor, als de Duitsers Palestina zouden veroveren, ook de daar wonende Joden uit te roeien.
De Joden die de Holocaust hadden overleefd, wilden weg, naar hun eigen land, naar een veilige plek. Nog maar pas na de oorlog, in juni 1946, had in het Poolse Kielce opnieuw een pogrom plaats. Gevolg: de meeste Poolse Joden verlieten nu definitief dit land.

Maar in 1947 handhaafden de Britten nog altijd de strikte immigratiebeperkingen. De vluchtelingenstroom werd tegengehouden. Het schip de Exodus werd een symbool. De Exodus verliet Frankrijk met aan boord 4.500 slachtoffers van de Shoah en andere Joden op zoek naar een veilige plek. De passagiers mochten het toenmalige Palestina niet binnen en werden door de Britten gedwongen koers te zetten naar het Duitse Hamburg. De wereld reageerde verbolgen, en terecht.
Waarop de Britse commissie Peel het land Palestina opsplitste in acht stukken: drie Joodse delen, vier Arabische en een neutraal Jeruzalem.

In 1946 zal dit oostelijke deel onder de naam Transjordanië een onafhankelijke Arabische staat worden.

Op 29 november 1947 besloten de Verenigde Naties om het resterende deel van Palestina – westelijk van de Jordaan – te verdelen in een Joods en een Arabisch gedeelte. Het Joodse gedeelte zou bestaan uit de door de Joden gekochte en ontwikkelde gronden, de rest voor de Arabieren. De Arabieren hadden het jaar voordien al het oostelijk (en grootste) deel gekregen, Transjordanië. Toch verwierpen ze het voorstel, er mocht geen Joodse staat komen, ook niet op slechts 15% van het Brits mandaatgebied.

Eretz Israël

In de nacht van 14 op 15 mei 1948 werd in het museum van Tel Aviv de nieuwe staat Israël uitgeroepen door David Ben-Gurion, de eerste premier van het land. Het Brits mandaat over Palestina eindige op 15 mei. De Arabische buurlanden openden onmiddellijk een offensief tegen Israël en troepen uit vijf landen vielen de nieuwe staat binnen. De 1ste Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 (ook wel de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog genoemd) was een feit. In 1949 werden wapenstilstanden afgesloten tussen Israël en de Arabische landen met uitzondering van Irak. Honderdduizenden Arabieren vluchtten of vertrokken hierop naar de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Libanon.

Joden uit de landen van het Midden-Oosten moesten op de vlucht naar Israël. De bijzonder dreigende toespraken van de Egyptische en Irakese leiders zette hen aan om veiliger oorden op te zoeken. Ongeveer negenhonderdduizend Joden werden uit de Arabische landen verdreven, waarvan het grootste gedeelte via een omweg uiteindelijk in Israël belandde.

“Na de eerste oorlog was het Joodse volk er zich van bewust geworden dat één nederlaag tegen de Arabische vijanden het einde van Israël kon betekenen en meteen ook het einde van een eeuwenoude droom.”

In de eerste oorlog veroverde Israël het gebied dat hen werd toegezegd door de Verenigde Naties. Het oudste gedeelte van de stad Jeruzalem bleef echter in handen van het Arabisch Legioen. De Gazastrook bleef bij Egypte. Na deze oorlog verlaten de Arabieren Israël maar ongeveer een miljoen zullen zich integreren.

De eerste jaren

De Haganah transformeerde zich tot een volwaardig Israëlische leger. De Knesset, of het parlement, werd verkozen door een modern algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht. Israël werd een uniek land in de regio: krachtig, modern, democratisch. De Wet op de Terugkeer (1950) bepaalde dat elke Jood waar ook ter wereld het recht had om naar Israël te immigreren, waarbij hem onmiddellijk het staatsburgerschap werd verleend. Het Hebreeuws werd nieuw leven ingeblazen. Rond 1950 bestond bijna 1/3 van de Joodse bevolking uit overlevenden van de Shoah. Na veel discussie accepteerde de jonge staat een West-Duits aanbod tot financiële schadevergoeding: de ‘Wiedergutmachung’ (1952). Het proces tegen Adolf Eichmann (1961) en de oprichting van Yad Vashem (1953) toonde de absolute noodzaak aan van een eigen onafhankelijke Joodse staat.

Suezcrisis

De Suezcrisis, of de tweede Arabisch-Israëlische Oorlog van 1956 was een conflict over het bezit en de toegang van het Suezkanaal. Een conflict dat ontstond door de Egyptische president Nasser die de nationalisering van het kanaal opeiste. Het kanaal had altijd een internationale status gehad. Dit leidde tot een oorlog in de Sinaïwoestijn tussen Egypte en Israël, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. De gevechten duurden van 31 oktober tot en met 5 november 1956. De bezetting van Egypte en de Gazastrook werd in maart 1957 opgeheven. Na deze oorlog ontstond opnieuw een labiel evenwicht, in stand gehouden door de concurrentie tussen Egypte, Syrië en Jordanië. Egypte en Syrië, gesteund door de Sovjet-Unie, en Jordanië, gesteund door Groot-Brittannië, hielden geregeld guerrilla-aanvallen op Israëlische burgers.

In 1964 werd op de Olijfberg in Oost-Jeruzalem door Yasser Arafat de PLO (Palestine Liberation Organisation) opgericht. Terwijl de betwiste gebieden ‘Westbank’ en de Gaza-strook nog in handen waren van Jordanië en Egypte, sprak Arafat van de bevrijding van Palestina. Hiermee bedoelde hij de vernietiging van de fragiele staat Israël door geweld en terreur. Het handvest van de PLO, stelde duidelijk: “Palestina met de grenzen die het had gedurende het Britse Mandaat is een ondeelbare territoriale eenheid. … Gewapende strijd is de enige manier om Palestina te bevrijden. … Het Verdelingsplan is illegaal. … Claims van historische of religieuze banden van Joden zijn niet in lijn met historische feiten. … Alle oplossingen die niet de totale bevrijding van Palestina inhouden, worden verworpen.” Dit werd in 1974 bevestigd in het PLO plan voor een eventuele “Gefaseerde bevrijding van Palestina”.

Spoedig zou de wereld horen van bomaanslagen en vliegtuigkapingen. Dieptepunten waren de moord van 11 Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen van München in 1972 en de aanslag op een school in Noord-Israël in 1974 met 26 dodelijke slachtoffers, meestal jonge kinderen. Op het vliegveld van Entebbe in Oeganda vond in 1976 een vliegtuigkaping plaats. De ‘Sayeret Matkal’, een onderdeel van de Israëlische strijdkrachten slaagden er toen om op een spectaculaire manier de slachtoffers van een vliegtuigkaping te bevrijden.

Zesdaagse Oorlog

In 1967 riepen de Arabische landen op om ‘de Joden de zee in te drijven’. Israël wachtte niet af, maar viel zelf aan. De Golanhoogte werd veroverd, het schiereiland Sinaï, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. De Klaagmuur kwam in Joodse handen. Tot op dat ogenblik had niet één Arabische staat het bestaansrecht van Israël erkend, en velen hoopten en verwachtten niet dat Israël lang zou blijven bestaan.

Jom Kippoer Oorlog

Op 6 oktober 1973 deden Syrië en Egypte een gecoördineerde verrassingsaanval op Israël. Egypte en Syrië vielen Israël op de heiligste dag onverwacht aan (Jom Kippoer, 6 oktober 1973). Veel soldaten waren met verlof. Groot was de paniek in Israël. De eerste twee dagen moest Israël terrein prijsgeven, maar na het mobiliseren van zijn reserves dreef het de aanvallers terug tot diep in Syrië en Egypte. Twee weken na het begin van de oorlog kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bijeen en voorkwamen daarmee een verpletterende militaire nederlaag voor Egypte.

Op de Golanhoogten verdedigden de Israëliërs zich met 180 tanks tegen een overmacht van 1400 Syrische tanks; langs het Suezkanaal moesten minder dan 500 Israëlische manschappen in de Bar-Lev observatielinie het tegen 80.000 Egyptenaren opnemen.

Vrede met Egypte

Anwar Sadat, de Egyptische president, verbaasde vriend en vijand in 1977, door een bezoek te brengen aan Israël en in Jeruzalem de Knesset toe te spreken. Door bemiddeling van de Verenigde Staten komen in 1978 onder leiding van president Jimmy Carter de Camp David akkoorden tot stand. Een vredesverdrag tussen Egypte en Israël volgt waarna Israël zich uit de Sinaï terugtrekt. Op 26 maart 1979 werd de vrede getekend en is Egypte het eerste Arabische land dat Israël erkent. De vrede met Egypte heeft de uitstoting van Egypte uit de Arabische Liga tot gevolg en zal indirect leiden tot de moordaanslag op president Sadat.

Oslo

Na de Golfoorlog, waarin de Palestijnen openlijk en duidelijk de zijde van Irak hadden kozen, werden in 1993-95 de Oslo-akkoorden gesloten waarbij de PLO door Israël werd erkend als behartiger van de Palestijnse zaak. De PLO beloofde het terrorisme tegen Israël te staken. Onder de bepalingen van het akkoord werd de Palestijnse Autoriteit opgericht en deze kreeg het beheer over de Palestijnse gebieden. Ook kreeg de Palestijnse politie duizenden wapens van Israël. PLO-leider Yasser Arafat, de Israëlische premier Yitzhak Rabin en de Israëlische minister van buitenlandse zaken Shimon Peres ontvingen hiervoor in 1994 de Nobelprijs voor de Vrede. Met Jordanië werd op 26 oktober 1994 een vredesverdrag gesloten, waarbij Israël door Jordanië werd erkend. Premier Rabin werd in 1995 vermoord door een Joodse extremist.

Terreur

Vanaf 1996 verliep het vredesproces steeds moeilijker, het aantal aanslagen door Hamas nam alsmaar toe. In Zuid-Libanon voerde de Hezbollah aanvallen uit op het Israëlische leger. In 1998 sloten Benjamin Netanyahu en Yasser Arafat het ‘Wye River Memorandum‘, een akkoord dat onder meer stelde dat de PLO haar handvest zou wijzigen. Hierin stond nog altijd dat de Joodse staat moest worden vernietigd. Naast deze belofte werden er ook afspraken gemaakt over samenwerking tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit op het gebied van terrorismebestrijding.

In 2000 trok het Israëlische leger zich terug uit Zuid-Libanon. Tijdens de Camp David topontmoeting van 2000 kwamen de Israëlische regering van Ehud Barak en de Palestijnen bijna tot overeenstemming, maar op het laatste moment wees Yasser Arafat het akkoord af en mislukte de ontmoeting. De Amerikaanse president Bill Clinton legt de schuld van de mislukking geheel bij Arafat.

Tweede Intifada (2000-2005)

Eind september 200 brak de tweede Intifada uit. De PLO had zich hierop maanden voorbereid en zocht een gepast moment om de Intifada te starten. Ze deed dat na het bezoek van Ariel Sharon aan de Tempelberg in Jeruzalem. De Tempelberg is de heiligste plaats voor het Jodendom en Sharon zei uitdrukkelijk dat net zoals moslims hun heilige plaatsen bezoeken, joden dat ook kunnen. Sharon ging de Islamitische moskee, die op de Tempelberg staat, niet binnen. Gewelddadige reacties volgden en een spiraal van geweld barstte los.

In 2002 zegde de Amerikaanse president George W. Bush voor de eerste maal directe steun toe bij de vorming van een onafhankelijke Palestijnse staat “die in vrede naast een veilig Israël” moet bestaan. Onder Bushs leiding werd het zogenaamde Road Map for Peace uiteengezet, een plan dat tot definitieve vrede moet gaan leiden. De eerste fase van dit plan, een beëindiging van het geweld in de regio, bleek echter onhaalbaar en het plan bloedde min of meer dood. Opmerkelijk was ook dat Ariel Sharon, tot dan gezien als de leider van rechts Israël, zich uitsprak voor een Palestijnse staat.

In 2002 begon Israël met de bouw van een veiligheidszone om terroristen uit het land te houden. Voor het grootste deel werd een hek en voor één tiende een veiligheidsmuur opgericht,  langs de grens met de Westoever en Gaza. Sharon werd tot premier gekozen en zijn regering stelde dat deze barrière de veiligheid van Israël moest vergroten. Cijfers tonen aan dat het aantal aanslagen tegen Israëlische burgers zeer sterk is teruggelopen. In 2002 waren er nog 60 aanslagen, in 2007 één.

In 2004 stemde de Knesset in met het plan van de regering Sharon tot terugtrekking uit de Gazastrook en ontmanteling van de Joodse nederzettingen. Vanuit joodsorthodoxe hoek was er een enorm verzet tegen dit het plan, maar een jaar later werd het plan uitgevoerd. In 2006 raakte premier Sharon na hartproblemen in een diepe coma. Na een overgangsperiode volgde Ehud Olmert hem op.

Hamas

De verkiezingen in de Palestijnse gebieden in 2006 werden gewonnen door de extreem fundamentalistischislamistische Hamas beweging. Dit leidde tot een economische en politieke boycot van de Palestijnse Autoriteit door Israël, de VS en de EU die Hamas als een terroristische organisatie bestempelen. Na een aanval door de Libanese beweging Hezbollah op een Israëlische grenspost waarbij drie Israëlische soldaten werden gedood en twee werden gevangengenomen volgden, nog hevige raketbeschietingen op Israëlische doelen. In Noord-Israël kwamen 1500 katjoesjaraketten neer. Ook in het zuiden van Israël werd de bevolking geconfronteerd met voortdurende raketbeschietingen vanuit de Gazastrook dat door Hamas wordt gecontroleerd. Het Israëlische Sderot heeft het hierbij het zwaarst te verduren.

In november 2007 werd in de Amerikaanse stad Annapolis een conferentie gehouden tussen Israël, de Palestijnse Autoriteit en diverse Arabische landen die ook vertegenwoordigers stuurden. President Bush riep deze conferentie bijeen met het doel om voor het einde van 2008 een onafhankelijke Palestijnse staat te creëren.

Maar tot vandaag blijft het rommelen. 61 jaar heeft de staat Israël moeten vechten voor zijn bestaan. Duizenden zijn gevallen voor zijn vrijheid. En toch. In het boek “Omzwervingen. De geschiedenis van het Joodse volk” van Rabbijn Chaim Potok, las ik een prachtige slotzin om dit historisch overzicht mee af te ronden.

” Israël biedt warmte aan de Joden overal ter wereld, ondanks sommige fouten en de teleurstellingen. Wat een enorme prijs wordt er niet betaald voor dit land. Zevenduizend doden in de onafhankelijkheidsoorlog, nog eens duizenden gesneuvelden in de Sinaï veldtocht in 1956 en in de Zesdaagse Oorlog van 1967. Drieduizend in de Oktoberoorlog van 1973; honderden slachtoffers van terroristische aanslagen. Joden hebben een grimmige troost: al die oorlogen hebben ons minder slachtoffers gekost dan drie dagen Auschwitz”.

Tweet
Share
Share
0 Shares