Salomea Genin, een ‘typische’ Joodse vrouw in de DDR

Het socialisme als pleeggezin

Door John Klein

Salomea Genin - boekenkast [640x480]Wat drijft een jonge Joodse vrouw ertoe om kort na de oorlog terug te willen naar het land dat haar familie bijna helemaal uitroeide? Salomea Genin had ruim twintig jaar nodig om haar biografie te schrijven. ‘Ik had vooral medelijden met de gewone burgers.’

Geen oude-vrouwtjeshuis maar een bijna zakelijk ingerichte twee-kamerwoning in het centrum van Berlijn.

Vanuit de woonkamer kijkt Salomea Genin uit op de protestantse Sophienkerk. Als ze haar neus tegen het raam drukt ziet ze net nog het aanpalend stukje grond dat de Joodse gemeenschap van Berlijn ooit de kerk schonk.

‘Vroeger werd die dwarsstraat hier ‘tolerantiestraat’ genoemd. Dat is wel 200 jaar geleden,’ zegt Genin terwijl ze het grondstukje aanwijst. Dan laat ze zich op de bruine sofa zakken. De 77 jarige heeft heupproblemen.

Ondanks de wandvullende boekenkast domineert een middelgrote poster de woonkamer. Daarop zijn vijf jeugdige mensen te zien die onbezorgd een sportwedstrijd volgen. Een tentoonstelling uit 1988 over het alledaagse Joodse leven in het Berlijn van voor de oorlog.

‘Voor mij zegt die poster: ze bestaan niet. Net als ik er eigenlijk niet meer had mogen zijn.’ De Genins konden net op tijd uit Berlijn vluchten. In 1939, kort voor het uitbreken van de oorlog, naar Australië.

Hoe was uw eerste contact met Duitsland na de oorlog?

‘Ik was achttien en bezocht het toenmalige Oost-Berlijn vanwege de Wereldfestspiele. In 1951 was dat. Wat ik zag waren socialisten, geen Duitsers. Mijn grote zus had me in Melbourne meegenomen naar de socialistische jeugdbeweging waar ook veel gevluchte Joden bij zaten. Ik had vooral medelijden met de Oost-Duitse burgerbevolking, met wat die hebben meegemaakt tijdens de oorlog.’

???

‘Ik ben opgegroeid in een vijandige omgeving. Ik was vijf jaar toen de Rijkspogromnacht plaatsvond, in november 1938. Als peuter ben je onderhevig aan het zogenaamde stockholm-syndroom, het identificeren met de vijand om de angst te overleven. Maar dat leerde ik pas in 1985 van mijn psychiater.  

Mijn familie was daar ook niet behulpzaam. Mijn moeder kon me geen aandacht geven, was door haar vader, een rabbi, ritueel dood verklaard omdat ze haar echtgenote zelf wilde uitkiezen. Ik ben in feite door mijn acht jaar oudere zus opgevoed, die dat natuurlijk niet aan kon.

In de socialistische beweging vond ik de geborgenheid die ik thuis miste, het werd mijn pleeggezin. De woede op mijn moeder en grotere zus, waarmee ik geen kant op kon, richtte zich vanaf toen op de klassenvijand, het kapitalisme.’

In 1963 gaat een vurige wens in vervulling: Salomea Genin krijgt een verblijfsvergunning voor de DDR. Ze heeft dan al bijna tien jaar in Engeland en West-Berlijn gewerkt, waarbij ze als ‘Informele Medewerker’ van de Oost-Duitse Stasi, de geheime dienst, informatie verzamelde over de ‘klassenvijand’.

Genin: ‘Ik ben uiteindelijk 28 jaar IM geweest. Pas in 1982 durfde ik eruit te stappen, na talloze bittere ervaringen. Keer op keer kwam ik in de problemen, ik moest bijvoorbeeld zelfkritiek uitoefenen voor een volle zaal. Vrijheid van meningsuiting was voor mij iets vanzelfsprekends. Ik dacht dat dat in de DDR ook zo zou zijn, met het socialisme als waarheid, dat wel.

Maar steeds viel me weer een excuus te binnen voor het het bedrog, de vernederingen en de valse beloftes waar ik in de DDR tegenaan liep. Ik heb de leugenachtigheid van de SED, de staatspartij, al die jaren verdrongen. Anders had ik namelijk mijn pleeggezin moeten opgeven, en daartoe was ik heel lang niet in staat.’

Betekende het Jood zijn wat voor u?

Aanvankelijk niet. Met de overwinning van het socialisme zou het jodendom volledig assimileren en daarmee oplossen, zo geloofde ik. Ik was een Joodse antisemiet, had het antisemitisme van de nazi’s verinnerlijkt.

Kende u andere Joden in de DDR?

O ja, ik schat dat er zo’n tweeduizend waren. Iedereen kende elkaar, al was het alleen maar van naam. Je vroeg altijd: ‘wat doet die en die, het gaat het met die persoon?’ Sommigen kende ik nog uit Australie. Maar van een gemeenschapsgevoel was absoluut geen sprake. De Joodse identiteit speelde voor de meesten geen rol.

Ervoer u  antisemitisme in de DDR?

Niet openlijk. Maar de mensen waren onderdanig, er heerste een autoritaire sfeer. Ik begreep het niet, kon er niet aarden. Ik kon me niet voorstellen dat de DDR zelf het fascistische verleden niet verwerkt zou hebben. Maar het werd doodgezwegen. Mensen gedroegen zich onderdanig, en hadden het antisemitisme nog in hun buik..

In 1970 gingen mijn ogen open. Een man die me niet kende, ervoer dat ik Joodse was en wilde met me naar bed.

Ik besefte, ‘dat komt omdat ik Joodse ben!’. Een omgekeerde vorm van het antisemitisme. Ik begon toen ook mijn eigen gefixeerdheid op arische mannen te zien. Weer dat stockholm-syndroom. Geliefd willen worden van de ‘vijand’.

Langzamerhand ontdekt ik vanaf toen mijn eigen Joodse identiteit. Ik nam mijn geboortenaam weer aan: Salomea. Tot dan toe was ik Loni, zoals mijn moeder me van kindsaf aan noemde, om voor de buitenwereld te verdoezelen dat ik Joods was.

Hadden Joden een bijzondere positie in de DDR?

‘Als ‘slachtoffer van de nazi’s’ kregen we een extra uitkering en we hadden een zekere ‘narrenvrijheid’. We konden veel meer zeggen zonder dat het consequenties had. Lange tijd had ik dat niet in de gaten, omdat het Joods-zijn geen rol speelde voor mij.

Later heb ik die vrijheid bewust uitgebuit. In 1982 wilde ik met mijn twee zonen naar Australie, maar kreeg geen visum. Ik heb Honecker toen een brief geschreven. Dat zou een DDR-burger toch nooit in zijn hoofd hebben gehaald! En ik kreeg persoonlijk antwoord, het visum was geregeld! Mijn oudste zoon bleef op de terugreis in West-Berlijn, maar dat bleef zonder represailles.’ Ze lacht erbij.

Had u geen spijt van uw Stasi-activiteiten?

Ja natuurlijk, het was een zeer schaamtevol inzicht, toen ik begin jaren tachtig besefte dat ik spioneerde voor een politiestaat en niet voor een heilstaat. Midden jaren tachtig ben ik al mijn bekenden langsgegaan en heb het hen verteld.

En het Joods-zijn?

In 1990 heb ik zeven maanden in Israel gewoond. Ik heb er ervaren dat God bestaat en ben daarna tien jaar lang religieus geweest, was actief in de synagoge hier in Oost-Berlijn. Ik besefte in Israel ook dat Berlijn mijn heimat was en ging terug. Religieus ben ik niet meer, nog wel spiritueel. Ik voel me verbonden met mijn Oost-Europese Joodse afkomst. De internationale invloeden, die ik ook heb, maken mij tot een behoorlijk typische Jodin, vind ik. Een Joodse vrouw van de wereld.

Salomea Genins autobiografie tot aan de Duitse hereniging verscheen dit jaar onder de titel ‘Ich folgte den falschen Göttern, eine australische Jüdin in der DDR.’

Tweet
Share
Share
0 Shares