Shana Tova – 5771. Gelukkig Joods Nieuwjaar

De redactie wenst zijn lezers een gezond, voorspoedig en gelukkig nieuw jaar, 5771.
Onze speciale editie ter gelegenheid van het Jood Nieuwjaar verschijnt volgende week woensdag op 15 oktober, en dat tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer.

OPEN UW HART VOOR G’D EN MEDEMENS

Rabbijn mr. drs. R. Evers

Rosj Hashana is de verjaardag van de wereld. We zijn weer een jaar gegroeid. Op deze dag verklaren wij met woorden en symbolen dat de eenheid tussen onze daden en de wil van G’d, Hashem, binnen ons bereik ligt. We hoeven alleen maar open te staan voor de gedachte van de shofar. Dan kunnen we dit jaar hoopvol smeken om vrede, in onze directe omgeving, voor Israël en voor de hele wereld. Helaas heeft er ook afgelopen jaar weer veel bloed gevloeid. Daarom moet ieder jaar opnieuw op de shofar worden geblazen: eenheid en vrede worden pas duurzaam wanneer ieder individu en volk zijn bescheiden plaats in het grotere geheel kent, en erkent. Alleen dan is er werkelijke verdraagzaamheid!

Rosh Hashana vormt niet alleen een hoogtepunt in de jaarcyclus, het einde van het oude jaar en het begin van het nieuwe jaar. Op Rosh Hashana vieren we het allereerste begin, de verjaardag van het universum. Gedurende de Moesaf-dienst zingen we “hajom harat olam” – vandaag ontstond de wereld. Hierin staat het shofarblazen centraal.

Wat is het verband?

Degene, die voor het eerst van zijn leven een sjoel bezoekt, ziet nauwelijks enig verband tussen dit Thoravoorschrift en de ernst en symboliek van de Hoge Feestdagen. Shofarblazen wordt in de Thora niet eens bij Rosh Hashana geregeld maar wordt afgeleid van het shofarblazen in het joveel- of jubeljaar: “Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan op de verzoendag, het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen. In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen” (Vajikra 25:9 e.v.).

Voordat de shofartonen klinken wordt een psalm gereciteerd, gewijd aan de kinderen van Korach, de aartsvijand van Mosje. Enig verband met de shofar lijkt afwezig. Doel en intentie van het shofarblazen komen in de Thoratekst zelf niet zo duidelijk naar voren. Wel verklaart de Talmoed in traktaat Rosh Hashana (16b), dat er veel verschillende tonen worden geblazen om “de Satan in verwarring te brengen”. Wie is deze Satan en waarom moeten wij proberen hem in verwarring te brengen? Als wij volledig achter de doelstelling van eenheid zouden staan, zou het niet onlogisch zijn geweest om alle sjoelbezoekers op één shofar te laten blazen. Op Soekot – het Loofhuttenfeest – komt iedereen met zijn eigen loelav (palmtak) naar sjoel. Waarom is er op Rosh Hashana slechts één, die voor de gehele gemeente de tonen aan de ramshoorn ontlokt terwijl de overige aanwezigen slechts passief luisteren?

Eén factor

Maar al te vaak staren wij ons blind op de kleine en vaak denkbeeldige verschillen die ons verdeeld houden. Uiteindelijk is er één factor die alle schepselen bindt: G’d die alles geschapen heeft en leven geeft aan het heelal. Dit gegeven geldt niet alleen voor alle mensen, maar strekt zich uit over de fauna en flora en vormt de essentie van alles wat leeft. Als Rosh Hashana de verjaardag van de wereld is, vieren we de verjaardag van het leven. Eén dag per jaar deelt alles dezelfde verjaardag, voelen we onze breekbaarheid en vergankelijkheid. Rosh Hashana is een dag van eenheid, niet alleen met onze medemensen maar met de hele Schepping. Het jaarlijks terugkerende verjaren van de wereld doet ons beseffen hoe sterk het lot van de mensheid is verbonden met de rest van het universum.

Theorie en praktijk verschillen helaas. Jaloezie en competitie breken de menselijke banden. Industrialisatie, verstedelijking en consumptiedrang hebben ons vervreemd van de natuur. De voorschriften en gebruiken van Rosh Hashana willen ons weer gevoelig maken voor die essentiële eenheid tussen alles dat leeft, omdat alles voortvloeit uit de éénheid van G’d. Wanneer wij willen afrekenen met onze onthechting en disharmonie heet onze vijand ‘Satan’. Letterlijk is Satan de tegenstander, de kracht die ons hindert. Satan is het symbool geworden voor alle krachten, die onenigheid, verdeeldheid en conflict zaaien.

Identieke tonen

Eenheid als de ware betekenis van het shofargeluid ligt aangeduid in de Thoratekst zelf en is niet iets van latere datum. In Bamidbar 10:1-10 wordt voorgeschreven om op trompetten te blazen. Een trompet is weliswaar geen shofar maar de tonen klinken identiek – tekia en teroe’a (lange en korte tonen). Tekia en teroe’a moesten geblazen worden wanneer het volk als een gezamenlijke eenheid moest opereren gedurende feestdagen of op weg naar de strijd, waar éénheid onontbeerlijk is om te overleven. Vele bepalingen rond de shofar worden afgeleid van het vijftigste – joveel – jaar.

Grotere sociale en religieuze eenheid dan gedurende het joveeljaar is vrijwel ondenkbaar. Het land ging terug naar de oorspronkelijke eigenaars, slaven werden vrijgelaten en schulden kwijtgescholden. Ieder maatschappelijk onderscheid verdween. Vrijwel alle verschillen tussen grootgrondbezitter en arbeider, heer en slaaf en rijk en arm verloren hun belang. Het is zeker niet toevallig dat daarom ook de psalm van de kinderen van Korach werd opgenomen in deze roep tot eenheid. Korach was de eerste Jood die openlijk in opstand kwam tegen Moshe Rabbenoe (onze Leraar). Korach zaaide verdeeldheid zonder enige aanleiding. Juist deze psalm wordt voor het shofarblazen gereciteerd omdat Korachs kinderen uiteindelijk de kracht vonden om vrede te sluiten met Moshe. De strijd van hun vader hebben zij niet doorgezet. De eenheid bleef bewaard.

Moedergevoelens

Het is onze taak een ‘banier voor de volkeren’ te zijn. Daarom moet onze gemeenschap deze eenheidsgedachte ook over de hele mensheid kunnen uitstralen. De Talmoed citeert uit het boek Sjoftiem (Richteren) een bewijs dat de teroe’a-klank een snikkend geluid is: “De moeder van Sisera keek uit het venster en snikte door het traliewerk” (5:28). Als generaal van het vijandelijke leger van de Kenaänieten stierf Sisera in de oorlog tegen Debora en Barak. Zijn moeder wachtte op hem en keek hoopvol uit haar raam. Veel soldaten keerden terug maar Sisera niet. Het boek Sjoftiem registreert dat zijn moeder gebroken en snikkend weeklaagt. De Jeruzalemse Talmoed vertelt verder dat zij honderd keer huilde en dat wij daarom op Rosh Hashana honderd tonen blazen op de shofar. Sisera mocht dan een gezworen vijand zijn maar de pijn die een moeder voelt om de dood van haar kind overschrijdt de grenzen tussen volkeren.

Arabieren

Niet voor niets wordt op de eerste dag uit de Thora voorgelezen over het lot van Jisjma’eel in de woestijn, nadat hij met zijn moeder Hagar verdreven werd uit het huis van Avraham. Wanneer Jisjma’eel van dorst dreigt te sterven, gebeurt er een wonder. G’d opent haar ogen. Hagar ziet een waterput. De Midrasj biedt ons dieper inzicht en verhaalt over een discussie die juist op dat moment tussen de Engelen en G’d plaatsvond. De Engelen wilden dat Jisjma’eel niet gered zou worden omdat zijn afstammelingen, de Arabieren, het Joodse volk op een later tijdstip in de geschiedenis zouden aanvallen. G’d bracht hier echter tegenin dat niemand berecht wordt voor toekomstige daden: “G’d luisterde naar de stem van de jongen waar hij was” (Bereesjiet 21:17). Waar hij was, zegt de Midrasj, betekent dat G’d luisterde naar de toestand waarin hij zich toen bevond. Hij huilde, was tot inkeer gekomen en bleef in leven. In de shofar resoneert het geluid van allen, die oprecht berouw tonen. Rosh Hashana is een universeel gebeuren.

Kittel

De Ba’al toke’a (shofarblazer) draagt, net als vele andere sjoelbezoekers, een wit kleed, de kittel – een doodsgewaad. Kleren maken de man maar de kittel breekt ‘s mensens hoogmoed. Voordat Adam zondigde, was de mens een onbezoedeld schepsel. De mens in zijn meest volmaakte toestand als schepsel van G’d “schaamde zich niet” (Bereesjiet 2:25). Het Hebreeuwse woord voor kleding luidt “beged” en komt van de stam “bagad”, dat rebelleren en in opstand komen betekent. Kleding is een teken van de menselijke onvolkomenheid, zijn breuk met G’d en de natuur. De kittel van de shofarblazer toont zijn onderworpenheid aan G’d en het besef van zijn vergankelijkheid en kleinheid.

Voordat hij gaat blazen, dompelt de ba’al-toké’a zich onder in een mikve (ritueel bad). Het Hebreeuwse woord voor wassen “rachats” staat fonetisch in verband met “ra’ats”, dat afbreken of omver werpen betekent. Tenietdoen van de ingenomenheid met onszelf en het afbreken van het eigen ik vormen de essentie van wezenlijke geestelijke zuivering en reiniging, onontbeerlijk voor een blijvende eenheid. Voor Rosh Hashana lossen we eerst onze problemen met onze medemens op, want op Rosh Hashana worden wij ten overstaan van de Schepper ter verantwoording geroepen. Dan willen wij gezuiverd zijn in onze intermenselijke relaties.

Solidariteit

In de Talmoed (B.T Bawa Batra 10a) discussiëren Tinius Rufus, een Romeinse gouverneur van de provincie Judea, en de legendarische Rabbi Akiva: “Als uw G’d de armen liefheeft, waarom onderhoudt Hij hen dan niet?” Rabbi Akiva antwoordde: “Zodat wij door middel van hen gered kunnen worden van de straf van Gehinnom”. In de gedachtewereld van Tinius Rufus overheerst de verticale relatie tussen mens en G’d, het aspect van ondergeschiktheid en slavernij. Hij zag de menselijke samenleving als een willekeurige massa ongerelateerde individuen, niet meer dan biologische atomen. In een dergelijke wereld is geen plaats voor onderlinge verantwoordelijkheid, solidariteit, medelijden en medeleven. De coördinaten van een menselijke maatschappij lopen in de ogen van Rabbi Akiva echter zowel horizontaal als verticaal; de juiste menselijke samenlevingsvorm baseert zich op de verhouding van elk individu en elk collectief van individuen tot G’d. Beide coördinaten creëren een band die uiteindelijk moet resulteren in gevoelens van wederzijds respect en verantwoordelijkheid.

Zelfs in een periode, waarin het Joodse volk in de ogen van G’d kennelijk geen genade vond en ongelukkig en armoedig was (zoals in de tijd van de Romeinse bezetting van Judea) behielden beide coördinaten hun onvoorwaardelijke geldigheid. Onze identiteit als kinderen van G’d en broeders is nooit verdwenen. Opvallend is dat Rabbi Akiva, één van de tien martelaren in de tijd van de Romeinen, die de wrede vervolging aan den lijve heeft ervaren, uitsprak: “Geliefd is de mens, die geschapen werd in het evenbeeld van G’d” (Pirkee Avot 3:18). Zijn ethische objectiviteit werd niet aangetast door onderdrukking en vervolging; in zijn ideeën omtrent de mens en zijn waardigheid bleef hij standvastig.

Moreel fundament

De eenheid van de shofar is de gedachte dat er één G’d bestaat die ons allen geschapen heeft, tot wie wij ons allen richten en dat Hij een wereld creëerde, die gebaseerd is op één moreel fundament. Dit is de betekenis van het gebed op Rosh Hashana, waarin gesproken wordt over “ieder schepsel, die Degene, die hem schiep, kent en erkent.” In de Amida – het staande gebed – vragen wij om G’ds heerschappij over ons allen, die ons allen tezamen verbindt tot agoeda achat – één geheel. Zou iedereen zijn eigen shofar hebben geblazen, dan zou ieder zijn eigen lied zingen, zijn eigen boodschap uitdragen. Eenheid zou dan ver te zoeken zijn. Pas wanneer de gemeenschap als geheel naar één persoon, de ba’al toké’a, luistert, is er sprake van een sjoel als microkosmos van saamhorigheid en gemeenschappelijkheid.

Rabbijn Evers studeerde fiscaal recht en klinische psychologie in Amsterdam. In 1989 ontving hij rabbinale bevoegdheid (semichah) van tien verschillende vooraanstaande autoriteiten, waaronder rabbijn Moshe Halberstam (van Tzanz-Tschakave) van de Edah HaChareidis. Hij is thans rabbijn van de Joodse gemeente van Rotterdam, en ook actief bij de joodse gemeenten van Amstedam en het NIK (de overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten in Nederland).

Tweet
Share
Share
0 Shares