Shavoe’ot (vrijdag en zaterdag) – Joods pinksteren

Het volk kreeg de torah op de Sinai berg
Het volk kreeg de torah op de Sinai berg

Achtergrondvertellingen door Rabbijn R. Evers.
We gaan 3320 jaar terug in de tijd, terug naar een woest, onherbergzaam oord: Midbar Sinai, de Sinai woestijn waar niets groeit of bloeit. Een donderslag bij heldere hemel, bliksemschichten, de meest monumentale gebeurtenis uit de ge­schiedenis van de mensheid zal zich aanstonds ontvouwen voor de ogen van 600.000 volwassen getuigen. Maar, waar is het Joodse volk? De midrasj meldt het toppunt van chotspe: op de dag dat het Joodse volk uitverkoren zou worden tot mamlechet kohaniem – een koninkrijk van priesters – en goi kadosj – een heilig volk – had hij zich verslapen!

Vermoeid
De pasjtaniem, de eenvoudige verklaarders geven als commentaar, dat de Joden vermoeid waren van de woestijnreis. Na een stevige nachtrust hoopten zij goed voorbereid te zijn op de Openbaring van HaSjeem. Andere meforsjiem (commentatoren) graven echter dieper; dat de Joden zich vlak voor Matan Tora versliepen kan niet alleen het gevolg zijn van een lange mars door de woestijn. De Joden versliepen zich expres omdat zij meenden in slapende toestand meer van HaSjeems Openbaring te kunnen vatten dan in wakende toestand. In waaktoestand kan ons bewustzijn slechts zintuiglijke ervaringen verwerken. In sluimertoestand zijn wij soms in staat iets van de hogere werelden te vatten. De meeste profeten zagen slechts visioenen in hun dromen. Een droom heet in het Hebreeuws ‘chalom’ en lijkt erg op het woord ‘chalon’ – raam. In onze dromen wordt ons soms als door een venster een blik in Hemelse sferen gegund. De Joden bij de Sinai wilden van deze eenmalige ervaring zoveel mogelijk ‘meenemen’ en dachten, dat zij er goed aan deden te blijven sluimeren en slapen. Mosje Rabbenoe maakte hen wakker omdat de essentie van het Jodendom nu juist niet bestaat uit zweverige en dromerige, spirituele bespiegelingen. Het Jodendom is een religie van de wakkere realiteit en dient temidden van het volle leven te worden uitgedragen. Om deze foutieve benadering van onze voorouders te rectificeren, leren wij nog steeds de hele nacht van Shavoe’ot door.

Deze minhag wordt nog steeds in ere gehouden. Hiervoor werd een speciale “tikkoen” (orde van studie) samengesteld, waarin passages uit de Thora en Misjna, de Zohar en een opsomming van de 613 ge- en verboden voorkomen. In sommige kringen draagt ieder van de aanwezigen op zijn beurt een gedeelte uit deze tikkoen voor. In de Kabbala wordt óók om een andere reden aangeraden de nacht wakend en lerend door te brengen. De Thora is het sieraad van het volk Israël en de Openba­ring op de berg Sinai was als het ware de bruiloft van het Joodse volk. Het werd juist geacht de sieraden van de bruid voor te bereiden in de nacht voor de bruiloft.

Weken en geloften

Shavoe’ot in het jaar 2448 verbond het Joodse volk zich voor eeuwig aan HaS­jeem en beloofde HaSjeem het Joodse volk niet te verruilen voor een andere natie. Rabbi Chajiem Ibn Atar (1696-1743) meent daarom ook, dat het Wetgevings­feest in plaats van Shavoe’ot (wekenfeest) eigenlijk Sjewoe’ot (feest van de gelof­ten) zou moeten heten, omdat G’d en het Joodse volk elkaar als het ware eeuwige trouw beloofden.

Op Pesach hebben we matzes, de seideravond en vier bekers wijn. Op Soekot ken­nen we de loelav (plantenbundel) en de soeka (loofhut). Shavoe’ot komt er wat bekaaid vanaf. Gedurende dit korte feest gelden er geen speciale mitswot, die het specifieke karakter van dit feest benadrukken. Niettemin zijn in de loop der eeu­wen op Shavoe’ot vele minhagiem (gewoonten) in zwang geraakt. Minhagiem nemen binnen het Joodse volk als traditie van de voorvaderen een bijzondere plaats in.

Minhagiem

Zo is het onder andere een bekende minhag om op Shavoe’ot melkgerechten te eten, waarbij de kaaskoek (= kwarktaart) uiteraard niet mag ontbreken. Deze minhag bevat een diepe symboliek met allerlei toespelingen op de gebeurtenissen, die voorafgingen aan het geven van de Thora. Zo is de getallenwaarde van het woord ‘chalav’ (melk) veertig als toespeling op de veertig dagen, die Mosje door­bracht op de berg Sinai. In Ge’oelat Jisraëel staat een andere reden: tot Matan Thora aten de Joden onreine en niet-koosjer geslachte dieren. Als gevolg hiervan was hun vleesgerei ‘treife’ geworden. Er bleef hen geen andere keus dan melkgerechten te eten. Sefer Matamiem geeft een derde reden: op 6 Siewan (de huidige datum van Shavoe’ot) werd Mosje door de Egyptische prinses Batja – een dochter van de Fara’o – uit de Nijl gered. Mosje weigerde bij Egyptische zoogmoeders te drink­en, hij wilde alleen drinken bij zijn moeder Jochewed.

Planten en bloemen

Een andere minhag wil, dat wij de sjoel op Shavoe’ot met bloemen en planten versieren. Ook dit is weer een minhag met een diepere betekenis. Zo willen sommigen hierin een toespeling zien op het oeverriet, waarin Mosje door zijn moeder ver­stopt werd. Mosje werd geboren op 7 Adar. Zijn moeder kon hem drie maanden lang thuis verborgen houden voor Egyptische soldaten. Op 6 Siewan – dezelfde datum, waarop tachtig jaar later de Thora zou worden gegeven – legde zij hem in de Nijl. Anderen zien hierin een herinnering aan de berg Sinai, die toentertijd met groen bedekt was. Sommigen zien deze minhag aangeduid in de midrasj, die het grote belang van de Thora wetgeving voor het wereldgebeuren benadrukt: “Het kan vergeleken worden met een koning, die een siertuin aanlegde. Enige tijd later bleek zijn tuin overwoekerd door doornen en distels. De koning stond op het punt om de tuin weer om te ploegen maar op het laatste moment ontdekte hij een schitterende roos. Hij zei toen: “ten behoeve van deze bloem zal de tuin gered worden!”. De tuin is de wereld, die G’d had geschapen. De doornen en distels waren de verdorvenen van de aarde en de roos is de Thora. In deze midrasj wordt de hoop uitgesproken, dat de Thora de mensheid van slechts zal behoeden. Ter herin­nering daaraan wordt de sjoel versierd met planten en bloemen.

Cheider-einfiren

Een bijzonder indrukwekkende minhag vormt het “cheider-einfiren”, het binnen­brengen van jonge kinderen in het cheider. Shavoe’ot ochtend worden kinderen van ongeveer drie jaar, in een talliet gewikkeld, de sjoel binnengedragen. Op een speciaal tablet worden de letters van het Hebreeuwse alfabet geschreven en met honing ingesmeerd. De leraar leest elke letter voor en het kind herhaalt ze. Daarna mag het kind een beetje van de honing proeven. Op speciale honingkoeken wor­den verschillende pesoekiem (Thora-verzen) geschreven; sommigen hebben de minhag eieren met pesoekiem te beschilderen. Nadat de kinderen de pesoekiem hebben gelezen, mogen zij de koek en het ei opeten. Rabbi Ja’akov Emden (1697-1776) beklaagt zich in zijn commentaar op de sidoer over het feit, dat de minhag van het “cheider-einfiren” in onbruik was geraakt in zijn tijd: “hoewel het eten van cake, waarop pesoekiem geschreven staan fragwürdig is (gezien de kedoesja van de pesoekiem), lijken mij al deze gebruiken zeer juist. Hoe heeft het dan kunnen gebeuren, dat dit in onbruik is geraakt zonder enige reden? Waarschijnlijk een gevolg van onbedachtzaamheid…”.

Garantie

Ook deze minhag heeft te maken met Matan Thora – het geven van de Thora. De midrasj vertelt, dat HaS­jeem, voordat Hij de Thora gaf van het Joodse volk een garantie vroeg, dat de Thora ook in latere generaties bestudeerd en in acht genomen zou worden. Het volk stelde in eerste instantie voor, dat de ouden van dagen garant zouden staan voor het behoud van de Thora. Maar dit werd niet geaccepteerd. Toen stelden zij voor, dat de rabbijnen garant zouden staan; ook dit werd verworpen. Tenslotte schoof het volk hun kinderen naar voren en dit ‘onderpand’ voor de continuïteit van de Thora werd aanvaard.

Een ‘aardige’ midrasj? Nee! Een zeer diepzinnige pedagogi­sche gedachte: het Jodendom is niet alleen voor rabbijnen of voor mensen met veel vrije tijd. Hoewel de Thora niet alleen voor kleine kinderen is, achtte HaSjeem de jeugd als garantie acceptabel. Want wanneer de jeugd niet op jonge leeftijd de Thora-studie aanvangt, zullen zij de Thora ook op latere leeftijd verzaken. En de jeugd is de enige zekerheid voor het voortbestaan van het Joodse volk als “volk van de Thora”.

Overdreven belangstelling?

Shavoe’ot staat in het teken van de minhagiem. Wij lijken een zesde zintuig te hebben voor minhagiem. Soms lijkt het wel alsof wij onze minhagiem nog belangrijker vinden dan de Sjoelchan Aroech, de internationaal aanvaarde Joodse codex. Ik moet – ook vanuit halachisch oogpunt – toegeven, dat minhagiem een belangrijke plaats innemen in onze traditie. Indien een minhag binnen het Joodse volk als zodanig is aangenomen, kan deze niet meer opgeheven worden. Zij zijn – volgens Rabbi Sjlomo Ibn Aderet (1235-1310) – bindend als een wet uit de Thora. Onder omstandigheden kan een volksgebruik zelfs een halacha, een wettelijke bepaling ter zijde schuiven.

Inspiratie

Dit is zo, omdat aangenomen wordt, dat het Joodse volk begiftigd is met een bepaalde G’ddelijke inspiratie. Oude profeten hebben zelf ook bepaalde minhagiem ingevoerd (vgl. B.T. Soeka 44a). In vroeger tijden gebeurde het vaak, dat het oude Sanhedrien – de hoogste juridische instantie in Israël – volksgebruiken bekrachtigde en als wetsbepaling verbindend verklaarde.

In Spreuken (1:8) ver­klaart koning Salomo: “Hoor, mijn zoon, de tucht van uw Vader en verwerp de onderwijzing van uw Moeder niet”. Volgens de Talmoedische interpretatie van dit vers slaat de ‘tucht van uw Vader’ op de wetten van G’d en de ‘onderwijzing van uw Moeder’ op de religieuze gebruiken, die op het initiatief van het Joodse volk zelf tot stand zijn gekomen. Vandaar, dat o.a. Nachmanides (1194-1270) stelt, dat een minhag ‘Thora’ is.

Zelfwerkzaamheid

Vrijwel alle minhagiem bevatten een diepere, al dan niet mystieke achtergrond. Vaak brengen minhagiem een diepere betekenis of de achtergrond van een wetsbepaling uit de Thora naar voren. Minhagiem werden op eigen aandrang van het Joodse volk ingevoerd. Misschien nemen de minhagiem daarom ook zo een vooraan­staande plaats in op Shavoe’ot. In de minhagiem toont het Joodse volk, dat zij het niet laat bij een slaafse navolging van de van Boven opgelegde regels. In de minhagiem tonen wij dat wij bereid zijn in de traditie te leven en deze te willen uitbouwen. Minhagiem tonen een werkelijke interesse in hetgeen eens in een lang vervlogen verleden aan onze voorouders werd meegedeeld. De Openbaring op de berg Sinai was voornamelijk – zoals dit in de mystieke literatuur heet – een “ittaroeta dele’ela, een actie van Boven”. De minhag plaatst de ‘zelfwerkzaamheid’ van het Joodse volk op de voorgrond, een reactie van de mens op aarde op de Openbaring op de berg Sinai.

Chag same’ach – een goede Jom tov !

Rabbijn Evers studeerde fiscaal recht en klinische psychologie in Amsterdam. In 1989 ontving hij rabbinale bevoegdheid (semichah) van tien verschillende vooraanstaande autoriteiten, waaronder rabbijn Moshe Halberstam (van Tzanz-Tschakave) van de Edah HaChareidis. Hij is thans rabbijn van de Joodse gemeente van Rotterdam, en ook actief bij de Joodse gemeenten van Amstedam en het NIK (de overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten in Nederland).

Tweet
Share
Share
0 Shares