Palestina solidariteit verzwijgt ware feiten over bouwproject ‘Jerusalem Museum of Tolerance’

Op verschillende pro-Palestijnse en extreemlinkse blogs lezen we vandaag een artikel van Palestina Solidariteit. Daarin wordt gepleit voor de stopzetting van de bouw van het nieuwe Museum voor Verdraagzaamheid in Jeruzalem. Dat is onder andere het geval op de website van KifKif.

Maar wat Palestina Solidariteit niet vermeld zijn de ware feiten achter het verhaal. Geen erg, het luiden van een eenzijdige klok zijn wij al langer gewoon. Om die reden publiceren wij die feiten hier wel, voor onze lezers, geïnteresseerden en hopelijk ook voor onze vrienden van Palestina Solidariteit, die deze website al langer in hun ‘favorites’ hebben staan.

 

Het Museum of Tolerance is een lichtbaken, geen muur

Rabbijn Marvin Hier, voorzitter Wiesenthal Center Museum of Tolerance, biedt critici van repliek

Rabbijn Marvin Hier
Wat critici doelbewust verzwijgen is dat het Simon Wiesenthal Center de grond kreeg van de Israëlische regering en van de stad Jeruzalem. Beiden pleitten bij het Hooggerechtshof pro Museum of Tolerance.

 

 

 

Men verdoezelt ook het feit dat het Simon Wiesenthal Center niet bouwt op de begraafplaats van Mamilla. Het museum komt op de aanpalende site, die bijna een halve eeuw dienst deed als stedelijke parking. Dagelijks stalden honderden Joden, christenen en moslims er hun auto. Onder de grond liggen elektriciteitskabels en rioolbuizen.

Al die tijd uitte niet één enkele moslim, inclusief de meest fulminerende criticasters, een woord van protest. In de rechtbank beweerden ze wel dat ze wisten dat er een begraafplaats was geweest op het terrein in kwestie, maar ze bleven een halve eeuw lang stil.

Het Hooggerechtshof formuleerde het zo in haar beslissing: ’Israël is een smalle strook  met heel veel restanten uit het verleden en een geschiedenis van vele duizenden jaren… Het terrein waarop het museum komt, werd in de jaren zestig gescheiden van de moslimbegraafplaats. De site werd ingekleurd als een open publieksruimte. Meerdere activiteiten werden er mogelijk gemaakt. Er werd een parkeergarage met meerdere verdiepingen gebouwd, er werd een weg aangelegd en er waren plannen om er winkels neer te poten’.

’Decennialang beschouwden de publieke opinie noch de moslimgemeenschap dit terrein als een begraafplaats. Niemand maakte er een probleem van. Niemand maakte gewag van de heiligheid van de plek. Integendeel, er werden door de jaren heen diverse plannen gesmeed, en nooit werd de heilige status van de site als een mogelijke belemmering gezien’.

Een architectenschets van hoe het project er moet uitzien
Bovendien vermelden critici niet dat het ontwerp voor het museum tentoongesteld werd in het stadhuis van Jeruzalem. Er verschenen advertenties in de Hebreeuwse en in de Arabische pers, en opnieuw bleef het stil in de moslimwereld.

 

 

 

 

 

 

Ze bleven stil omdat, zoals de rechter het verwoordde: ‘de locatie al tientallen jaren niet meer als kerkhof beschouwd werd. De beenderen die tijdens de bouwwerken gevonden werden, zijn tussen drie- en vierhonderd jaar oud. Er werd geen enkel teken gevonden, geen monument, geen grafsteen noch een familienaam of een verwijzing naar een godsdienst.

Beeld je de chaos in de maatschappij in wanneer stukken grond, vijftig jaar nadat ze werden opengesteld voor publiek gebruik, opnieuw hun functie van vier of vijf eeuwen geleden zouden krijgen.

Moslimgeleerden en religieuze leiders buigen zich al eeuwenlang over dit soort kwesties. Om dergelijke problemen op te lossen besloten ze dat een kerkhof dat zevenendertig jaar lang niet meer in gebruik is, als mundras beschouwd wordt: een verlaten begraafplaats die zijn heiligheid verloor.

Het hele terrein werd als mundras beschouwd. In 1946 stelde de moefti van Jeruzalem voor om een moslimuniversiteit te bouwen op de volledige oppervlakte van de begraafplaats van Mamilla, vandaag het Onafhankelijkheidspark.  De tekeningen en plannen voor die universiteit werden aan het Hooggerechtshof overhandigd. Vandaag de dag wordt het mundras-concept toegepast in de hele Arabische wereld, van Jordanië over Libanon en Egypte tot Saoedi-Arabië en de Palestijnse gebieden.

Na een procedure van twee jaar velde het Hooggerechtshof een unaniem vonnis, 119 bladzijden lang, in het voordeel van het Museum of Tolerance. Sjeikh Salah en zijn advocaten, die vurig uitkeken naar de steun van de rechtbank, protesteren nu tegen de beslissing omdat ze in het zand beten.

Het zijn niet zij die onder de grond liggen, die de stabiliteit in het Midden-Oosten bedreigen. De onverdraagzaamheid van de extremisten boven de grond en de figuren met een agenda verhinderen elk vooruitzicht op fatsoen en respect.

Het Hooggerechtshof somde de beste argumenten voor de noodzakelijkheid van het Museum of Tolerance op: ’Het belang en het nut van de realisatie van het Museum of Tolerance in het centrum van Jeruzalem zijn erg groot. Het museum wil een spiritueel centrum worden dat de boodschap van menselijke verdraagzaamheid tussen volkeren, tussen bevolkingsgroepen en tussen mensen onderling zal uitdragen’.

‘De bouw van dit museum zal waarschijnlijk het hele land ten goede komen. Er is nog geen centrum dat de verdraagzaamheid in al haar aspecten uitdraagt en dat de idee wil verspreiden onder de publieke opinie’.

‘De locatie van het museum in het centrum van Jeruzalem heeft een speciale betekenis. De stad speelt een bijzondere rol in drie verschillende godsdiensten en heeft een eeuwenoude geschiedenis. Jeruzalem is dan ook uniek’.

 

Tweet
Share
Share
0 Shares