De leugens van Deir Yassin feiten en mythes, zestig jaar na data

“Een leugen kan al snel een eigen leven gaan leiden”, één van de beste voorbeelden daarvan is het verhaal van gruwelijke slachtpartijen in 1948 in het Arabische dorp Deir Yassin. In onderstaand stuk spit Max Schick de feiten uit en komt tot een heel andere conclusie. Hiervoor berust hij niet enkel op Israëlische getuigenissen maar ook op Arabische en een studie van de Palestijnse universiteit.

Achtergrond

Deir Yassin lag bovenop een heuvel, op de hoofdweg naar het belegerd Jeruzalem. Een Britse volkstelling in 1945 registreerde 610 inwoners, die volgens Arabische bronnen in 1948 tot 750 toegenomen waren. De troepen van het Brits Mandaat zouden Palestina verlaten op 15 mei 1948, het moment waarop de omliggende Arabische landen een invasie planden om de oprichting van een Joodse staat te verhinderen. Maar reeds voordien voerden Arabische en Joodse troepen een bittere strijd. Het Arabisch Bevrijdingsleger, gesponsord door de Arabische Liga, viel tijdens de winter en de lente van datzelfde jaar de Joodse konvooien aan die de uitgehongerde bevolking van Jeruzalem wilden bevoorraden. Ze deden dat vooral vanuit het stadje Deir Yassin. Hierdoor was het bijna zeker dat dit dorp het schouwspel zou worden van zware gevechten.

Deir Yassin had al jaren een reputatie van agressie jegens Joden. Tijdens de moorddadige anti-Joodse pogroms in de jaren ’20 en ‘30 was het stadje het centrum van de illegale Arabische wapentoevoer. Inwoners van Deir Yassin hadden reeds slachtpartijen uitgevoerd tegen de Joden van Givat Shaul, Beit-Hakerem en het Montefiore kwartier. Tijdens de herfst van 1947 werd er een overeenkomst gesloten tussen de leiders van het dorp en hun Joodse buren om een wapenstilstand in te voeren. In maart 1948 bleek echter dat honderden vrijwillige Syrische en Iraakse soldaten posities hadden ingenomen in Deir Yassin.

Verschillende van deze soldaten droegen zelfs Iraakse legeruniformen tijdens hun opmars van Deir Yassin naar Ein-Kerem. Tegelijkertijd werden kanonnen ingezet tegen troepen van de Haganah (de voorganger van Tsahal, het Israëlische leger) op de hoofdweg naar Jeruzalem. Deir Yassin innemen was duidelijk de enige mogelijkheid om het geïsoleerd en uitgehongerd Jeruzalem te bevoorraden. De Joodse paramilitaire organisaties bestonden uit verschillende groepen waaronder de Haganah, de Irgoen Zva’i Leumi (IZL of Etzel) en de Lehi.

Vanaf 1948 werkten de drie fracties samen, alhoewel er vaak belangrijke ideologische verschillen waren. De meeste Irgoen en Lehi strijders pleitten ervoor om iedereen die vanuit Deir Yassin zou schieten, uit te schakelen. Het toenmalige hoofd van de Irgoen, Menachem Begin (later premier van Israël) was echter een heel andere mening toegedaan. Hij wou er alles aan doen om eventuele burgerslachtoffers in Deir Yassin te vermijden.

Begin besloot een vrachtwagen met luidspreker naar het dorp te sturen om voor de nakende aanval van zijn troepen te waarschuwen. Hij zou een ‘corridor’ openen opdat burgers te tijd zouden hebben het strijdtoneel te verlaten. Begins beslissing werd, op enkele hooligans na, unaniem aanvaard en uitgevoerd. De vrachtwagen was bestuurd door een Iraakse Jood, die de boodschap in het Arabisch overbracht. Kort nadat deze het dorp binnenreed, werd hij echter getroffen door mortiervuur vanuit het dorp, en belandde in een greppel. Herhaalde pogingen door Lehi-mannen om de vrachtwagen weer te bevrijden, terwijl ze onder zwaar vuur kwamen, mislukten.

De strijd om Deir Yassin

Michael Harif, 2de aanvoerder van de Irgoen, was de eerste die Deir Yassin binnenreed. Hij vertelde later: “Bijna onmiddellijk werd ik aangevallen door een Iraakse soldaat. Ik  werd in mijn been geraakt”. Lehi’s Patchiah Zalivensky rapporteerde hoe hij een Joegoslavische moslimofficier doodde waarvan de identiteitskaart het lidmaatschap bevestigde van de nazi SS, de partij opgericht door de rabiaat Jodenhater en Hitler-vriend Haj Amin El-Husseini, de beruchte grootmoefti van Jeruzalem. Vanuit bijna elk huis in het dorp werden de Joodse troepen beschoten. Terwijl de Joodse strijders slechts moeizaam vorderden vanwege het zware spervuur, werden achter elkaar verschillende grote wapendepots gevonden.

Ezra Rachlin herinnert zich hoe enorm vaak vanachter de deuren van de “burgerhuizen” vrouwen tevoorschijn kwamen, die ineens verklede, gewapende mannen bleken te zijn, en zo veel soldaten bij verrassing konden neerschieten. Talrijke huizen bleken ook zwaar gepantserde deuren te bezitten, nogmaals een duidelijk bewijs dat het hier niet om doodgewone woonhuizen ging.

Op 10 april, de dag na de veldslag, kreeg Jacques De Reynier, de vertegenwoordiger van het Rode Kruis in Jeruzalem, een telefoontje van de Arabieren om dringend naar Deir Yassin te gaan, waar zojuist de algehele burgerbevolking zou zijn uitgemoord. De memoires van De Reynier tonen geen enkele twijfel over de al dan niet correcte informatie van het bewuste telefoontje. Wanneer hij op 11 april naar Deir Yassin vertrekt, is dit reeds in de heilige overtuiging dat de Joden er een vreselijk bloedbad hadden aangericht.

De Reynier stond bekend om zijn haat tegenover al hetgeen Joods was. Zoals hij het zelf verwoordde, was hij een mensenredder, die, al ontsnappend aan verschillende Joodse aanslagen, de wereld wakker ging schudden over de Joodse massamoorden… (en dit na het schandalige gedrag van het Rode Kruis jegens de Joden in de net beëindigdeTweede Wereldoorlog – zie mijn vorige artikels over deze “neutrale” organisatie…).

De Lehi strijders bestempelde hij als “criminelen”, en een Israëlische vrouwelijke soldaat beschreef hij als “heel knap met wrede, moorddadige ogen”. De opgehaalde herinneringen van De Reynier waren kleurrijk, maar vaak ver over de grens van het geloofwaardige. Hier zijn relaas:

“Toen ik Deir Yassin binnenreed, werd mijn wagen aangehouden door twee soldaatachtige individuen, die er allesbehalve vredelievend uitzagen”. Ineens werd mijn hand gegrepen door een  enorme kolos die mijn hand bijna kapot kneep, terwijl hij iets in een onverstaanbare taal uitkraamde. Mijn redder was een Jood die dat enkel deed, omdat ik hem ooit uit de handen van de nazi’s gered had.“ – De waarheid is, dat de man helemaal niet in Europa was tijdens de nazi gruwelperiode. Het ging om Moshe Barzili, een inlichtingsofficier van de Lehi, die De Reynier enkel vergezelde vanwege zijn kennis van de Duitse taal. De Joodse strijders gaven De Reynier op een vriendelijke manier de mogelijkheid om elk huis te onderzoeken, daar er helemaal geen wreedheden begaan waren.

Niets werd de inspectie van De Reynier in de weg gelegd, integendeel. De Reynier bracht echter een heel ander relaas: “De Joden probeerden me tegen te houden, maar met ware doodsverachting duwde ik ze opzij om de huizen binnen te gaan… Toen ik probeerde een gewonde Arabier buiten te sleuren, werd ik opnieuw belaagd, maar ik liet me niet doen. Ik was vergezeld door een Joodse dokter, gestuurd door het Rode Kruis, en deze volgde mij dapper. Het ging om Dr. Alfred Engel van het Magen David Adom, de Joodse tegenhanger van het Rode Kruis. De inwoners van het dorp, ongeveer 400 in aantal, zijn nooit gewapend geweest.

In de door mij bezochte huizen vond ik hopen doden, neergemaaid door machinegeweren, nogmaals door granaten aan stukken gereten, en uiteindelijk met messen afgemaakt (waarvoor was dat laatste eigenlijk nog nodig, kan men zich terecht afvragen….). Enkel 50 hebben het bloedbad overleefd terwijl de rest in koelen bloede was afgeslacht.”

Dr. Alfred Engels relaas is echter van een heel ander allooi: “We konden gemakkelijk het dorp binnen. Ik begeleidde De Reynier in de huizen. In totaal heb ik een honderdtal doden gezien, het was verschrikkelijk. Er was echter geen enkel teken van messteken, verkrachting of verminking. Dit in contrast tot de vermelde 350 doden van De Reynier.” Conclusie, het ging hier om zware militaire gevechten waarbij aan beide kanten soldaten sneuvelden.

Dat ene Uri Avnery beweert dat er wel degelijk een vreselijke slachtpartij heeft plaatsgevonden zal wel niemand verwonderen. Avnery, wiens objectiviteit reeds lang naar het rijk der fabeltjes is verwezen, kon, op specifieke aanvraag, noch de data, noch de namen van zijn informanten opnoemen. De ex-uitgever van het extreem linkse magazine Haolam Hazeh van 1950 tot 1990 – en Knesset vertegenwoordiger van de ultra linkse Haolam Hazeh en Sheli partijen is het prototype van de Joodse nestvervuiler die daarmee denkt buitenlandse sympathie te winnen. Uiteindelijk is Avnery een armzalige marginaal, die slechts een uiterst kleine fractie van de Joodse bevolking vertegenwoordigt.

Daarentegen is de opinie van Muhammed Arif Sammour, een Arabische overlevende van Deir Yassin, veel interessanter: aan schrijver Eric Silver verklaarde hij dat er geen enkele seksuele agressie gebeurd is door de Joodse strijders. Eric Silver sprak met nog verschillende andere Arabische bewoners van het dorp, en keer op keer werd met klem betoont dat er geen enkele verkrachting had plaatsgevonden. Sammour, evenals de andere Arabische inwoners van Deir Yassin hadden uiteraard geen enkele reden om de feiten van de Joden te minimaliseren, wel integendeel.

Op aanvraag van het Joods Agentschap werden twee dokters, Dr Avigdori en Dr A. Droyan ter plaatse gestuurd om de ‘wreedheden’ te rapporteren. Ze verklaarden onder eed dat alle lichamen aangekleed en intact waren, zonder enig spoor van mutilatie. In feite was het gerucht van verkrachting verspreid door ene Richard C. Catling, een verantwoordelijke van de Britse politie. Ook niet echt de bron voor een juiste berichtgeving; immers, Catling had jarenlang de Etzel (IZL) en de Lehi bestreden, gevechten die vele Britse politiemannen het leven gekost hadden, en Catling was aanwezig in het gebouw van de Britse politie in Jeruzalem, toen dit gebouw werd aangevallen door de Joodse troepen in kwestie. Onnodig te vermelden dat Catling geen enkel bewijs kon voorleggen.

Hoeveel doden vielen uiteindelijk in Deir Yassin ?

De vermelde aantallen lopen hier uiteen. Haganah soldaat Daniel Spicehandler spreekt van ongeveer 50 doden, terwijl Shimon Monita het over 60 heeft. Lehi’s Moshe Idelstein schat 61, terwijl Yona Feitelson van de Haganah het getal 80 naar voren brengt. Menachem Begin uiteindelijk, spreekt van ongeveer 130 slachtoffers. Bovenvermelde Deir Yassin-inwoner Sammour tenslotte, zegt dat hij alle namen van de doden heeft kunnen zien tijdens de telling in de moslim bureaus nabij de Al-Aksa Moskee, en dat het er exact 116 waren.

Een studie van de Bir Zeit Universiteit (1987), een Arabische hogeschool gelegen in de Palestijnse gebieden, werpt een volledig nieuw licht op dit historisch feit. De onderzoekers interviewden tal van oud-bewoners van Deir Yassin en kwamen tot verrassende conclusies. Er vielen geen 600 doden maar welgeteld… 107.

Als je weet hoe hevig de gevechten waren is dit cijfer best aannemelijk. Oorlog is immers een lelijke zaak. Er is echter een wereld van verschil tussen gewapende strijd tussen twee partijen en onschuldige burgers samentroepen en afschieten. Een onderzoek van Professor Milstein, een van Israëls meest bekende historici, bevestigt deze versie trouwens. Natuurlijk mogen we ook niet vergeten dat de slag om Deir Yassin beslissend was in de Israëlische overwinning tijdens de onafhankelijkheidsoorlog.

Als laatste laat ik Yunes Ahmed Assad, een overlevende van Deir Yassin aan het woord tijdens een interview in het Jordaanse blad Al Urdun, enkele jaren na de oorlog (9/4/1953): “De Joden hebben nooit de intentie gehad om de burgerbevolking van Deir Yassin kwaad te doen. Ze waren verplicht zwaar terug te vechten nadat intensief vuur vanuit het dorp de Irgoen leider hadden gedood”.

Of hoe snel een leugen een eigen leven kan gaan leiden…

Tweet
Share
Share
0 Shares