Simchat Thora, van loofhut naar eenheid in alle regionen

Aan het einde van Soekot (loofhutten) begint het 2-dagen durende Simchat Thora feest. Hiermee komt een einde aan de verschillende feestdagen en dat tot de maand april (Pesach). DE KANTOREN VAN JOODS ACTUEEL ZULLEN DAN OOK GESLOTEN ZIJN TOT NA DIT WEEKEINDE.

Rabbijn Evers geeft in volgend stuk duiding bij Simchat Thora.

Gedurende tisjrie stijgt onze religiositeit loodrecht. Inkeer en “schoonwassing” vormen de prelude van de ware godsdienstige vreugde, die wij slechts deelachtig worden als wij het immense beeld van ons eigen imago en onze gewichtigheid achter ons kunnen laten. Maar er is meer… er valt ook een stijgende lijn van eensgezindheid waar te nemen. De sjofartonen symboliseren de hartenkreet van het Joodse volk, een schreeuw uit zielennood van de jood, die ver is afgedwaald van zijn Joodse oorsprong. De sjofar produceert een ongedifferentieerd geluid omdat de scheidingsangst en het verborgen verlangen naar ‘terug’ te diep gewor¬teld zijn om uitdrukking te vinden in woorden. Hierin zijn alle Joden, van vroom tot vrij gelijk.

Rabbijn mr. drs. R. Evers

Eenheidsgevoel
Tijdens Soekot krijgt dit eenheidsge¬voel duidelijker gestalte. Op Soekot nemen wij vier plantensoorten omdat deze vier typen Joden voorstellen. De etrog (cederappel) heeft zowel geur als smaak en dit duidt op ‘perfecte’ mensen, die zowel veel aan Thorastudie als aan liefdewerken doen. De loelav (palmtak) heeft wel smaak maar geen geur. Dit duidt op de intellectueel bij wie de studie voorop staat. De hadassiem (myrthetakken) die alleen geuren, symboliseren de persoonlijkheid, die voornamelijk in de intermense¬lijke sfeer van het Jodendom bezig is. En uiteindelijk zijn daar de arawot (beekwil¬gentakken), bij wie noch Thorakennis noch goede daden aanwezig zijn. Niettemin verklaart G’d, dat wij al deze verschillende soorten bijeen moeten brengen omdat allen bij het grote Joodse geheel behoren.

Simchat Thora vormt de bekroning van de steeds hechter wordende eenheid. Op Simchat Thora blijft de Thora gesloten om uitdrukking te geven aan het gevoel, dat op deze ene dag aan het einde van de feestcyclus geen verschil meer bestaat tussen geleerd en ongeletterd. Wij dansen met de Thora en in dit ‘voetenwerk’ zijn allen gelijk; vroom en vrij, dichtbij en verafstaand allen verheugen zich met het G’dsgeschenk van de berg Sinai. Net zoals de voeten het lichaam dragen zonder te begrijpen waarom, zo ook dragen alle leden van ons volk tezamen het ‘gebouw van het Jodendom’. Simchat Thora vormt het slot van de vele verheven gedachten die de Joodse feestdagen uitdragen. Maar het vormt tevens het begin van het nieuwe, gewone werkjaar, waarin onze hoge gevoelens van religiositeit en eenheid de toets van de realiteit moeten doorstaan. De symboliek van alle ingrediënten van Soekot helpen ons daarbij.

Authentiek
De arba’a miniem – de vier soorten – waarmee wij op Soekot (Loofhuttenfeest) schudden kennen vele achtergronden. Zo moet de etrog (citrusvrucht) authentiek zijn. Er mag geen vreemde soort door enting in vermengd zijn. Hij moet een hechsjeer (kosjer-zegel) hebben van een halachische autoriteit, als bewijs dat dit niet gebeurd is. Originaliteit en authenticiteit – zo moet ook ons Jodendom er uit zien. Geen vermenging met andere culturen, geen vreemde invloeden van buitenaf. Onze godsdienstbeleving blijft het zuiverst wanneer wij het nemen zoals het is en niet proberen aan te passen aan allerlei moderne ideeën en stromingen.

Dit is ook onze boodschap voor onze volgende generatie. De etrog wordt hadar genoemd in de Thora. Hadar betekent allereerst mooi maar tevens ‘iets dat blijft hangen aan de boom’. Eén van de eigenschappen van de etrog is dat deze veel langer aan de boom blijft hangen dan andere vruchten. Wanneer er alweer een nieuwe oogst aan de bomen hangt, zijn de oude etrogiem nog steeds aanwezig. Het geeft aan dat er tussen de generaties geen kloof mag bestaan. Wanneer we het Jodendom goed, puur en authentiek beleven, zal er geen generatiekloof ontstaan.

De etrog die wij gebruiken moet ook ons eigendom zijn. Wanneer we werkelijk willen groeien in onze Thora-beleving, moeten wij dicht bij onszelf blijven staan. We kunnen de ideeën en idealen van anderen niet gebruiken als het gaat om onze eigen psycho-religieuze groei. Het moet vanuit ons binnenste opwellen, willen we werkelijk kunnen zeggen dat wij de lessen van Soekot begrepen hebben. Soekot heet Chag Ha’asief – het feest van de inzameling. We oogsten gedurende Soekot de vruchten van onze inspanningen gedurende de zomer toen wij tesjoeva (inkeer) deden uit de bitterheid om de verwoesting van de Tempel. We nemen de gevoelens van ontzag, vrees en hoop uit de veertig dagen voor Jom Kippoer mee naar de winterperiode, maar ook de vreugde en liefde die we tijdens het Soekot-feest ervoeren.

Ledematen
In de Midrasj worden de vier soorten van de plantenbundel vergeleken met delen van het lichaam van de mens. Vaak gaat het over een vormgelijkenis. De palmtak (loelav) is een weerspiegeling van de wervelkolom. In de etrog ziet men het hart. De myrthetakken symboliseren de ogen en wilgentakken staan voor de lippen. Op deze manier verenigt de mens al zijn organen om Hasjeem te dienen. De overtredingen die men met deze ledematen beging, worden hierdoor gerectificeerd. Wanneer wij de mitsva van het loelav-schudden met de juiste intentie, aandacht en devotie uitvoeren, worden alle gebreken die zijn ontstaan door onze schending van de ge- en verboden uitgewist. De etrog moet fraai zijn volgens de Thora (Vajikra 23:4). De etrog symboliseert het hart, het orgaan waar onze gevoelens zetelen en dat de bron vormt van al ons handelen. In feite moeten álle soorten mooi zijn. Wij moeten al onze organen, geheel ons leven, verheffen zodat zij tot het hoogste plan van perfectie gebracht worden.

Onze voorouders hebben bijzonder veel wonderen meegemaakt in de woestijn. Zo kregen zij dagelijks manna uit de hemel en water uit de bron van Mirjam. Waarom worden deze wonderen niet herinnerd in de symboliek van Soekot? Waarom worden alleen de wolken van de G’ddelijke Majesteit herdacht, die de Joden tegen hitte van boven, tegen schorpioenen en slangen van beneden en tegen pijlen en werpstenen van opzij beschermden?
De Sifté Tsaddiek behandelt deze kwestie. Het manna werd door de Joden flauw voedsel genoemd (Bemidbar 21:5). Ook over het gebrek aan water werd geklaagd, zoals bijvoorbeeld in Sjemot 15:14: “Wat moeten wij drinken?”. Over de wolken van de G’ddelijke Majesteit hebben de Joden echter nooit problemen gemaakt. Het bleef voor hen een bron van grote vreugde. Daarom wordt Soekot, waarin deze G’ddelijke bescherming in de loofhut herdacht wordt, ook ‘zeman simchatenoe’ genoemd, de tijd van onze vreugde, omdat elke mitsva die de Joden met vreugde hebben aanvaard, hen tot op de dag van vandaag nog steeds met vreugde vervult.

Ook de Bné Jissaschar gaat in op de voorgaande vraag: manna en water waren voor de Joden in de woestijn essentiële levensbehoeften. Daarzonder hadden zij niet kunnen blijven leven. Hasjeem, G’d, had als het ware geen keuze. Hij moest hen dit wel als bestaansminimum geven. De wonderbaarlijke G’ddelijke wolken waren echter niet van direct levensbelang. We zijn daarom juist zo blij met de loofhutten die de G’ddelijke beschermwolken symboliseren, omdat ze ons eraan herinneren dat G’d ons niet alleen van het hoognodige voorziet, maar juist ook minder belangrijke aspecten van ons bestaan verzorgt.
De verklaring dat wij juist in de herfst onze soekot betrekken om duidelijk te maken, dat wij deze mitsva voor G’d doen en niet om te genieten van de natuur in de lente, geeft geen bevredigend antwoord voor de Joden, die bezuiden de evenaar wonen. Voor hen begint de lente juist met Soekot! De Ga’on van Wilna (1720-1797) geeft een totaal andere verklaring voor de datum van Soekot. De G’ddelijke wolken hadden de Joden sinds de uittocht begeleid. Vijftig dagen later kregen zij de Thora. Mosjé bleef veertig dagen op de berg Sinaï en keerde terug op 17 Tammoez, toen hij het volk, dansend rond het gouden kalf, weer terugzag en de Stenen Tafelen brak. De ontrouw van het volk had de G’ddelijke wolken verdreven. Mosjé beklom weer de Sinai, hield een pleidooi voor Am Jisraeel, en op Jom Kippoer vergaf G’d de zonde van het gouden kalf. Mosjé daalde van de berg Sinaï af met het tweede paar Stenen Tafelen.

15 Tisjrie: Misjkan -Tabernakel
De volgende dag – 11 Tisjrie – gaf Mosjé opdracht het Misjkan, de transportabele Tabernakel, te bouwen. De voorbereidingen duurden vier dagen en op 15 Tisjrie werd met de bouw van de Tabernakel begonnen. Soekot wordt op 15 Tisjrie gevierd omdat pas toen de G’ddelijke wolken van bescherming terugkeerden, die de Joden tot hun intrede in het land Israël zouden vergezellen. Het zijn juist deze wolken die zo gedenkwaardig zijn, omdat zij de G’ddelijke bescherming symboliseren die het Joodse volk op eigen kracht heeft verdiend door berouw en inkeer na een periode van afvalligheid en verwijdering. Onze Wijzen leren ons dat iemand, die tot inkeer komt, en oprecht berouw toont, hoger staat dan degene die altijd rechtvaardig handelde en nooit struikelde. De uitleg van de Ga’on van Wilna is wereldwijd geldig, ook voor de Joden bezuiden de evenaar. De samenloop in tijd van de bouw van de Tabernakel en de soeka als herinnering aan de terugkerende G’ddelijke wolken is zeker niet toevallig. Gelijk het Misjkan hebben ook muren en het dak van riet van de soeka kedoesja (heiligheid), zelfs als de soeka is ingestort. Zodra iemand de Tabernakel betrad werd hij omringd door G’ds aanwezigheid. Tempelbezoek was een gebod waar ‘geheel de mens’ in betrokken was. Zo ook is de soeka één van de weinige geboden, die alle mensaspecten omvat: zelfs eten en drinken worden in de soeka een mitsva.

Soekot wordt het hoogtepunt van simcha – vrolijkheid en plezier genoemd. De hoogste vrolijkheid ervaren wij in een wankel gebouwtje. De soeka is kwetsbaar en symboliseert de breekbaarheid van het menselijk leven. Hoe kunnen we vrolijk zijn als we geconfronteerd worden met tegenslag en ongeluk? Onze verklaarders leggen uit dat de zeven/acht dagen van Soekot staan voor een gemiddeld leven van 70/80 jaar. In Tehilliem (Psalmen 9:10) geeft Koning David deze gedachte gestalte: “Het kan zijn dat we 70 jaar, misschien zelfs 80 jaar worden als we sterk zijn”. De soeka laat zien dat ons leven maar weinig zekerheid biedt.
Interessant is dat er een contrast bestaat tussen de buitenkant van de soeka en de binnenkant. Aan de buitenkant mag het een gammel geheel zijn maar het interieur van de soeka wordt versierd. Het moet blijheid en optimisme uitstralen. We brengen onze mooiste meubelen de soeka in, hangen prachtige versieringen aan het sechach (loofbedekking) en leggen tapijten op de vloer om de koude weg te houden. We gebruiken ons beste servies en genieten van de heerlijke maaltijden. Binnen vrolijkheid, buiten een wankele loofhut? Inderdaad! Het omhulsel van de mens is kwetsbaar en wankel. Ons lichamelijke leven duurt niet lang maar ons spirituele leven kan zeer hoog reiken. Op dat terrein kunnen we genieten van alles wat G’d ons aanreikt. De muren staan op instorten, maar toch kunnen we van het leven genieten.

In de Talmoed (B.T. Soeka 11b) vertaalt rabbi Akiva Soekot letterlijk als hutten. Rabbi Eliëzer vat Soekot figuurlijk op: het is de buitengewone G’ddelijke bescherming gedurende de woestijnreis die wij op het Loofhuttenfeest gedenken. G’ds speciale zorg voor Zijn volk is gedenkwaardig. Maar rabbi Akiva benadrukt de opofferingsgezindheid van het Joodse volk, dat bereid was G’d te volgen in een onherbergzame woestijn, wonend in schamele hutjes.

Aards en bovenaards
Het woord Soekot verdraagt beide verklaringen: het kan zowel loofhutten, als wolken van G’ds Majesteit betekenen. Het meningsverschil tussen beide grote rabbijnen is slechts een kwestie van nadruk. De wolken waren een geschenk uit de Hemel en symboliseren G’ds goedertierenheid. De loofhutten werden door de mensen zelf gebouwd en benadrukken de bereidheid van het Joodse volk om zijn G’d overal te volgen. Het Joodse volk verliet het land van zijn verdrukkers, maar waarheen? Naar een woestijn, een “ongezaaid land” zoals de Profeet het noemt, waar de mens het op natuurlijke wijze niet lang kan uithouden. Aan alles bestaat gebrek; er is voedsel noch huisvesting. Niettemin trok het volk G’d achterna, zonder de minste aarzeling. Zij waren bezield door totale zelfverloochening. Rabbi Akiva was een man die zich geheel van onderaf had opgewerkt tot de persoonlijkheid, zoals wij hem uit de Talmoed kennen. Het valt te begrijpen, dat hij voornamelijk let op die aspecten van de mitsvot (geboden), die de religieuze opofferingsgezindheid, bekeken vanuit de mens, benadrukken. Bij tegenstrijdige interpretaties verklaart de Talmoed steevast dat beide waar zijn. Dat is onze schamele soeka: een combinatie van het aardse – de overgave van de mens – en het bovenaardse – de Voorzienigheid, die het volk overal ter wereld begeleidt.

De soeka verbindt het begin van de feestmaand Tisjri met het einde. Het begon al op Rosj Hasjana met de sjofartonen, die de mens uit zijn religieuze sluimertoestand moeten wekken. We vinden deze tonen in getalssymboliek terug in het sechach. Iedere Hebreeuwse letter heeft een getallenwaarde. De ‘s’ is 60, de ‘ch’ is 20 en de tweede ‘ch’ eveneens. Samen dus 100. Het getal 100 dat met Rosj Hasjana weerklank vindt in de honderd tonen, vinden we twee weken later terug in het sechach, de loofbedekking van onze gammele hut, die onze breekbaarheid en afhankelijkheid van Boven doen beseffen.

Rabbijn Evers studeerde fiscaal recht en klinische psychologie in Amsterdam. In 1989 ontving hij rabbinale bevoegdheid (semichah) van tien verschillende vooraanstaande autoriteiten, waaronder rabbijn Moshe Halberstam (van Tzanz-Tschakave) van de Edah HaChareidis. Hij is thans rabbijn van de Joodse gemeente van Rotterdam, en ook actief bij de Joodse gemeenten van Amstedam en het NIK (de overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten in Nederland).

Tweet
Share
Share
0 Shares