Federaal parlement stemt deze week over erkenning Palestina


 
Eind juni stemt het federaal parlement over een resolutie voor de erkenning van Palestina en een resolutie om bij de EU te pleiten om een lijst met ‘tegenmaatregelen’ op te stellen tegen Israël indien dat land overgaat tot de ‘annexatie’ van Palestijns gebied.

De Israëlische ambassadeur in ons land, Emmanuel Nahshon hield op 19 mei 2020 een indrukwekkend en gepassioneerd betoog tijdens de hoorzitting van de Commissie Buitenlandse Betrekkingen van De Kamer over de relaties tussen Israëli’s en Palestijnen. Ook in de daaropvolgende vragenronde was het optreden van de ambassadeur impressionant maar uit de aard van een groot aantal vragen kon eveneens worden afgeleid hoe eenzijdig een aantal van onze Volksvertegenwoordigers geïnformeerd zijn over deze kwestie.

Voor de organisatie van Belgische Vrienden van Israël (BFOI) was dat in elk geval voldoende aanleiding om alle leden van de Kamer een brief toe te sturen met informatie die hen mogelijk nog onbekend was. Volgens BFOI-secretaris generaal Nigel Goodrich stappen de parlementsleden wel erg gemakkelijk mee in een propagandaverhaal waarbij Israël gebieden zou “annexeren”. En vermits er geen sprake is van enige juridische basis om gewag te maken van een annexatie is het nog maar de vraag of de voorgestelde resolutie geen slag in het water is.

BFOI ijvert voor dialoog en omschrijft de werking van haar organisatie, waarvan zowel joodse als niet-joodse burgers deel uitmaken, als zowel pro-Israëlisch als pro-Palestijns én pro-vrede. BFOI ijvert voor meer begrip en duidelijkheid over dit zeer complexe onderwerp en pleit in Israël voor verzoening op het terrein.

Hieronder de Nederlandstalige versie van het BFOI-schrijven:

Advertentie

Geachte dames en heren parlementsleden,

Volgende donderdag zullen onze Federale Kamerleden zich buigen over de heersende impasse tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit (dat laatste regime werd onlangs door The Economist bestempeld als autoritair, samen met Iran, Venezuela en Noord-Korea). De tekortkomingen van dit regime worden steeds genegeerd maar meerdere volksvertegenwoordigers laten geen kans onbenut om de enige democratie in het Midden-Oosten te demoniseren.

De Oslo-akkoorden van 1993 en 1995 blijven de basis voor de betrekkingen tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit én voor de onderhandelingen die zij bilateraal nog moeten voeren. Het Palestijns regime heeft evenwel steevast geweigerd om de Oslo-bepalingen in de realiteit om te zetten. Zo vereiste artikel 31.9 dat de Palestijnse Nationale Raad het door Arafat onderhandelde akkoord van een tweestatenformule formeel zou goedkeuren. Dat is nooit gebeurd. Het officiële standpunt blijft dat één staat, een Palestijnse staat, in de plaats moet komen van Israël. Artikel 15(1) verklaart dat beide partijen alle nodige maatregelen moeten nemen om terreurdaden te voorkomen, met inbegrip van juridische vervolging van misdadigers. Toch blijft de Palestijnse Autoriteit de familieleden van zelfmoordterroristen en van andere moordenaars van Joodse burgers belonen met zogenaamde ‘pensioenen’. Het Belgische parlement blijft zich echter dogmatisch onthouden van enige kritiek op deze Palestijnse praktijken.

Aanstaande donderdag zullen in de Kamer resoluties besproken worden die de complexe problematiek van het Israëlisch-Palestijnse conflict nog meer polariseren, en dat met misleidende concepten. Afgezien van de merites of fouten in de voorstellen van Israël, het gaat hier niet om annexatie. Volgens het Juridisch Woordenboek van Black, het meest geciteerde juridische handboek ter wereld, is er geen sprake van annexatie wanneer de vermeende annexator de soevereiniteit over het grondgebied al effectief uitoefent. Israël kan zich daartoe beroepen op verschillende internationale verdragen, zoals de San Remo Resolutie en het Mandaat voor Palestina, bevestigd door een ander, nooit geamendeerd of afgeschaft internationaal verdrag, het Handvest van de Verenigde Naties (artikels 51 & 80).

Wat Israël voorstelt is de verdere toepassing van de bestaande soevereiniteit die daaruit voortvloeit. Sheik Abukhalil al-Tamimi, de voormalige voorzitter van het Sharia Hooggerechtshof in Ramallah, zei onlangs in een interview dat een zwijgende meerderheid van Palestijnen van oordeel is dat ze verwachten een beter leven te leiden onder Israëlische soevereiniteit dan onder het bestuur van de Palestijnse Autoriteit of Hamas. Hij voegde eraan toe dat een dialoog zonder precondities moet plaatsvinden, een dialoog over de manier waarop Israëli’s en Palestijnen vormgeven aan een co-existentie.

Het Palestijns regime weigert echter steevast gesprekken en heeft vredesvoorstel na vredesvoorstel verworpen (6 keer afgewezen: in november 1947 het VN- partitieplan, in 1967 de resolutie van Khartoem, in 2000 Camp David-akkoorden, in 2001: het overleg in Taba, in 2008: voorstel Ehud Olmert gevolgd door een laatste afwijzing in 2012). Het eigenbelang van de schatrijke leiders van het regime verklaart deze houding.

Maar wie neemt het op voor de Palestijnse ‘zwijgende meerderheid’? In plaats van voze veroordelingen uit te spreken aan het adres van één partij, zou ons parlement moeten trachten bruggen te bouwen opdat de dialoog waarover sjeik al-Tamimi het heeft, kan plaatsvinden.

Advertentie

Met de meeste hoogachting,

Nigel Goodrich, Secretaris-generaal BFO