Carter – wiens brood men eet, diens woord men spreekt

Jimmy Carter
Jimmy Carter

De ware Jimmy Carter
door Alan M. Dershowitz

Ik ken Jimmy Carter al jaren. In de lente van 1976 ontmoette ik hem voor het eerst. Hij was een relatief onbekende kandidaat voor het presidentschap en vroeg me in een handgeschreven brief om hulp in zijn campagne, op het vlak van criminaliteit en justitie. Voor The New York Times Magazine had ik net een artikel geschreven over de hervorming van de strafwet. Carter toonde interesse in mijn ideeën en vroeg me of ik nog andere ideeën kon uitwerken voor zijn campagne. Een beetje later nodigde Stuart Eisenstadt, een voormalig student van me, Carter uit op Harvard. Carter ontmoette er een aantal leden van de faculteit, onder wie mezelf. Ik zag onmiddellijk wat in Carter en beschouwde hem als een integer en principieel man. Ik sloot me aan bij zijn campagne en werkte me uit de naad om hem te laten verkiezen.

Het magazine Newsweek vroeg de namen op van de mensen die Carter tijdens de presidentsrace adviseerden. De campagneleiding gaf onder meer mijn naam vrij. Over de jaren heen bleef ik voor Carter werken. Vorig jaar ontmoette ik hem voor het laatst: in Jeruzalem bespraken we kort de situatie in het Midden-Oosten. We waren het niet op alle vlakken eens, maar ik bleef geloven dat zijn standpunten berustten op een rotsvast geloof in de principes en de mensenrechten.

Recent raakte echter bekend dat Carter veelomvattende financiële banden heeft met de, vooral Saoedi-Arabische, oliebaronnen. Mijn geloof in zijn integriteit is zwaar aangetast. Toen ik hoorde dat hij een financiële beloning had gekregen van sjeik Zayed bin Sultan Al-Nahayan, wilde ik dat eenvoudigweg niet geloven. Carter hield het geld bij! De universiteit van Harvard gaf een beloning uit dezelfde hoek terug omwille van de antisemitische dimensie. Hoe kan een man die ogenschijnlijk zo integer is, zichzelf verrijken met vuil geld van zo’n bezoedelde bron?

Laat er alstublieft geen twijfel over bestaan dat het Zayed Centre wel degelijk erg bezoedeld is. Ik weet het omdat ik de universiteit van Harvard er mee van overtuigd heb meer dan twee miljoen dollar terug te betalen aan die bron. Dat geld was bedoeld voor de Divinity School, die financieel in erg slechte papieren zat. Aanvankelijk aarzelde ik om druk te zetten op Harvard om het geld terug te geven, maar Rachael Lea Fish, een studente op de Divinity School, confronteerde me met de feiten.

De feiten zijn onthutsend. Ik was stomverbaasd te vernemen dat er in de eenentwintigste eeuw nog organisaties bestaan die er dergelijke opinies op na houden. Het ‘Zayed Centre for Coordination and Follow-up’ is een denktank, opgericht door de sjeik en gerund door diens zoon. Het fonds verwelkomde sprekers die de Joden “de vijanden van alle naties” noemen. De moord op John Kennedy wordt toegeschreven aan Israël en de Mossad. De aanslagen van 11 september zouden volgens het fonds zijn uitgevoerd door het Amerikaanse leger. De Holocaust wordt een fabel genoemd. Ook Jimmy Carter gaf een toespraak voor het Zayed Centre. Harvard gaf het geld terug, en wint daarbij aan geloofwaardigheid. Carter hield het, en verliest dus krediet.

De beslissing van Harvard kreeg veel aandacht. Jimmy Carter was er dus van op de hoogte. En toch aanvaardde hij de centen, en wel met deze woorden: “Deze award heeft voor mij een bijzondere betekenis, want hij draagt de naam van een persoonlijke vriend, sjeik Zayed bin Sultan Al-Nahyan.” Maar Carters persoonlijke vriend, zo blijkt, was een onverbeterlijke antisemiet en een allround fanaticus.

een krans neerleggen bij het praalgraf van Arafat

Toen ik Carters verklaringen las, moest ik terugdenken aan het foute Harvard van de jaren dertig. Nazi- academici bleven toen eerbetuigingen krijgen, ook nadat de antisemitische politiek van Hitlers bewind al een tijd duidelijk was. Het Harvard van de jaren dertig was de advocaat van de duivel. Helaas moest ik vaststellen dat Jimmy Carter de advocaat van de duivel in de eenentwintigste eeuw is.

De impact van het vuile geld dat Carter kreeg, en waar hij zelfs afhankelijk van is, is nog niet helemaal duidelijk. Maar wat we weten is erg verontrustend. Carter en zijn Center hebben miljoenen dollars aanvaard van verdachte bronnen. Het begint met de financiële injectie die het pindanotenbedrijf van de familie Carter in de late jaren zeventig kreeg van de BCCI-bank. De bank is nu ter ziele gegaan maar was hevig anti-Israëlisch. Ze werd onrechtstreeks geleid door de Saoedische koninklijke familie. Sjeik Zayed, Carters vriend, behoorde tot de belangrijkste investeerders. Agha Hasan Abedi, de oprichter van de bank, schonk Carter 500.000 dollar om zijn Center uit te bouwen en gaf tien miljoen dollar aan de diverse projecten van meneer Carter.

Carter aanvaardde het geld blijgezind. Nochtans had Abedi zijn bank “de beste methode om de duivelse invloeden van de zionisten te bestrijden” genoemd. BCCI is niet de enige verdachte financiële bron: de Saoedische koning Fahd investeerde miljoenen dollars in het Carter Center. In 1993 alleen al ging het om 7,6 miljoen dollar. Andere leden van de Saoedische koninklijke familie lieten zich evenmin onbetuigd. Carter kreeg ook een miljoen dollar toegeschoven van de familie bin Laden, met roots in Saoedi-Arabië. De oud-president ontving eveneens een milieuprijs ter waarde van 500.000 dollar. De prijs werd genoemd naar sjeik Zayed, en werd uitbetaald door de eerste minister van de Verenigde Arabische Emiraten. Vermeldenswaardig is het feit dat het Carter Center absoluut geen activiteiten ontplooit in Saoedi-Arabië, ondanks de massale geldstromen uit dat land en ondanks de talloze schendingen van de mensenrechten door de regering van dat land.

Klaarblijkelijk hebben de Saoedi’s een hoge prijs betaald voor het stilzwijgen van Carter. De bedenkelijke kwaliteit van de activiteiten van het Center wordt nog duidelijker als we de werking op het vlak van de mensenrechten in andere landen onder de loep nemen. In China of Noord-Korea, of in Iran, Irak, Soedan of Syrië wordt er niets georganiseerd wat met mensenrechten te maken heeft. Maar volgens de website van het Center is dat wel het geval in Israël, waar zogezegd misbruiken plaatsvinden.

Het mission statement van het Carter Center stelt dat “het Center onpartijdig is en als een neutrale partij handelt in conflictoplossende activiteiten”. Absolute onzin natuurlijk, als je weet dat de kluizen gevuld worden met Arabisch geld en dat de beduidende Arabische schendingen van de mensenrechten geen aandacht krijgen, terwijl de focus ligt op de veel minder ernstige Israëlische misbruiken.

Niemand met wat verstand kan dus ontkennen dat Jimmy Carter altijd afhankelijk was van en nog steeds afhankelijk is van Arabisch oliegeld, voornamelijk dan uit Saoedi-Arabië. Betekent dit dat Carters visie op het Midden-Oosten noodzakelijkerwijs beïnvloed werd door die enorme bedragen? Vraag het Carter zelf.

Gulle Saoedische geldschieters

Geld doet spreken, veronderstelt Carter. Dat is de premisse van zijn kritiek dat de Joodse invloed zwaar doorweegt op het Amerikaanse buitenlandse beleid. Het was Carter, en niet ondergetekende, die duidelijk stelde dat wanneer politici geld uit Joodse hoek ontvangen, ze niet onafhankelijk kunnen beslissen in thema’s die het Midden-Oosten aangaan. Het was Carter, en niet ondergetekende, die argumenteerde dat eminente journalisten niet eerlijk kunnen berichten over het Midden-Oosten omdat ze met Joods geld betaald worden. En dus, als we rekening houden met Carters eigen maatstaven, zou het economisch bijna zelfmoord betekenen voor de voormalige president, om een evenwichtige positie tussen Israël en Palestina in te nemen.

Als we rekening houden met Carters morele maatstaven, kunnen we zijn visie op het Midden-Oosten niet serieus nemen. Het is best mogelijk dat hijzelf echt in die visie gelooft. Met geld, en zeker met veel geld, is het altijd mogelijk om mensen in een bepaalde positie te manoeuvreren. Het zou me niet verbazen indien Carter; nadat hij zo veel Arabisch geld ontving, vandaag helemaal gelooft in de Arabische zaak. Maar hij weigert de omvang van zijn financiële afhankelijkheid van de Arabische centen te onthullen. Carter vraagt zich ook niet af of de talrijke giften zijn visie hebben beïnvloed. Dat is een vorm van bedrog, die zelfs naar corruptie neigt.

Ik heb lobbyisten uit de sigarettenwereld ontmoet. Zij worden betaald door de tabaksindustrie. Na verloop van tijd begonnen die mensen echt te geloven dat sigaretten louter een veilige vorm van ontspanning voor volwassenen zijn. Volgens hen werken sigaretten niet verslavend en doet de tabaksindustrie er echt alles aan om kinderen ervan te overtuigen niet te roken. Die mensen houden zichzelf voor de gek (of ze houden ons voor de gek omdat we geloven dat zij zichzelf voor de gek houden), net zoals Jimmy Carter zichzelf voor de gek houdt (of hij probeert ons ervan te overtuigen dat hij zichzelf voor de gek houdt).

Als geld een invloed heeft op politieke en publieke opvattingen zoals dat volgens Carter het geval is met “Joods geld”, dan moet worden vastgesteld dat Carters visie op het Midden-Oosten beïnvloed werd door de grote sommen geld die hij uit Arabische hoek ontving. Als het spreekwoord ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’ opgaat, zijn Carters valse noten duidelijk toe te schrijven aan zijn Saoedi-Arabische betaalmeesters. Het doet me pijn te moeten stellen dat er in de hele Amerikaanse maatschappij vandaag niemand is met een lagere integriteit dan Jimmy Carter. De publieke perceptie van zijn integriteit is erg hoog. Maar, zo wordt nu duidelijk, zijn werkelijke rechtschapenheid is buitengewoon laag. Hij is geen haar beter dan zo vele voormalige Amerikaanse politici, die zich na hun politieke carrière verkopen aan de hoogste bieder en dan lobbyist worden voor de meest verachtelijke zaken. Dat is de betreurenswaardige nalatenschap van Jimmy Carter.

Tweet
Share
Share
0 Shares