Modern-orthodoxe visie op evolutieleer

1-creationisme2Het boek Genesis heeft het over een geleidelijk creatief proces, van eenvoudige tot meer complexe organismen. Eerst waren er kolkende gaswolken, later water, vervolgens ontstond het droge land, gevolgd door planten, vissen, vogels, dieren en, tenslotte, menselijke wezens. Deze theorie stemt volgens verschillende Joodse visies overeen met de door de wetenschap aanvaarde theorie.

Maar duurde het evolutieproces eigenlijk niet veel langer dan de bekende zes scheppingsdagen?

Als u het verhaal leest, merkt u misschien dat de Thora een “dag” beschrijft vóór de schepping van de zon en de maan, om zo een periode van 24 uur af te bakenen. Over welk soort “dag” gaat het hier? De bekende Rabbijn Samson Raphael Hirsch legt uit dat elke Bijbelse “dag” staat voor een mengeling van onbewerkte materialen (erev), gevolgd door uitbarstingen van indrukwekkende nieuwe ontwikkelingen (boker).

De zes dagen zijn eenvoudigweg zes tijdvakken van duizenden of honderdduizenden jaren, het zijn fases van het proces. Eeuwenlang is dit de joodse visie geweest.

De positie van de Thora is niet veranderd. Eigenlijk is het veeleer de wetenschap die die visie is bijgetreden. Arnold Penzias, winnaar van de Nobelprijs voor zijn onderzoek naar de Big Bang, zei ooit: “Wat wij zien wanneer we met onze telescopen naar de gedragingen van melkwegstelsels kijken, zag Maimonides al vanuit zijn metafysische standpunt. “De visie van de Thora en die van de aanhangers van de evolutieleer verschilt op één aspect: was de schepping een toevalligheid, of was het een ontwerp?”

Volgens de aanhangers van de evolutieleer ontstond het leven heel toevallig. Volgens het judaïsme is God verantwoordelijk voor de schepping. Hoe realistisch is de veronderstelling dat het leven en alle wonderen der natuur bij toeval gecreëerd werden?

Om per toeval leven te creëren is er volgens Harold Morowitz, fysicus aan de universiteit van Yale, heel nauwkeurige bio-moleculaire activiteit nodig tijdens het volledige proces: heel kleine organismen moeten zich accumuleren, biologische polymeren moeten zich ontwikkelen, er moeten proto-cellen ontstaan en er moet zich een genetisch systeem met eiwitten ontwikkelen.

Dokter I. Prigogine, winnaar van twee Nobelprijzen chemie, zegt waar het op staat: “De statistische kans dat organische structuren en de fijnste reacties, die typisch zijn voor levende organismen, per toeval gegenereerd worden, is nul.”

De gelauwerde astronoom sir Fred Hoyle schrijft het zo: “Het probleem is dat er ongeveer 2.000 enzymen zijn. De kans dat je ze allemaal samen krijgt in een willekeurig experiment is slechts 1 op 1040.000 (10 met 40.000 nullen achter). Die kans is zo buitensporig klein, dat ze nooit gerealiseerd zal worden, zelfs niet als het hele universum een organische soep zou zijn.

Hoyle besluit: “Hoe groot de omgeving ook zou zijn, toeval kan nooit aan de basis van het leven hebben gelegen. Groepen apen die vreselijk te keer gaan op typemachines kunnen geen Shakespeare schrijven, om de praktische reden dat er binnen het waarneembare universum nooit voldoende apen of typemachines kunnen zijn, om nog maar te zwijgen over het aantal vereiste papiermandjes, noodzakelijk om alle mislukte pogingen kwijt te geraken.”

“Voor levende stoffen geldt hetzelfde”

Aanhangers van de evolutieleer moeten het idee aanvaarden dat er in de natuur duizenden voorbeelden zijn van twee onafhankelijke mutatielijnen die zich in elk van de 500 ontwikkelingsfases volledig identiek gedroegen. Met één miljoen mogelijke keuzes per stap (en zelfs wanneer slechts 100 van de 500 stapjes gelijk moeten zijn) is de kans op succes toch maar 1 op 10600.

En dan hebben we het nog maar over één eenvoudige transitie! Voor complexe organen zoals een vleugel of een lever of een oog wordt de kans op een dergelijk toeval nog miljarden keren kleiner.

In The Origin of Species schreef Darwin zelf: “… Als kan worden aangetoond dat er een complex orgaan bestaan heeft dat onmogelijk gevormd kan zijn door talrijke, opeenvolgende, kleine aanpassingen, dan houdt mijn theorie absoluut geen steek…”

Kijken we even naar de Bombardier-kever: dit kleine insect is uitgerust met een holte voor hydroginine en een tweede holte met waterstofperoxide. Als ze gecombineerd worden, vormen die twee chemicaliën een explosieve cocktail. Een mechanisme in de kever houdt beide stoffen gescheiden. Maar wanneer er een vijand opduikt, verhit het insect de chemische stoffen tot het kookpunt en stuwt ze in een reactiekamer. Daar vindt een ontbrandingsproces plaats, vergelijkbaar met het ontsteken van een raketmotor.

Het explosieve materiaal stroomt vervolgens uit de kever met gemiddeld 1.000 impulsen per seconde. Die impulsen geven de kever, in tegenstelling tot een continue stroom, de kans af te koelen en niet zelf te verdampen. De giftige brandstof wordt dan uitgestoten via een pijpje, vergelijkbaar met het geschut van een tank. Het kan roteren in alle richtingen, onder de poten en over de rug. De vijand wordt vergiftigd, de kever is gered!

De Bombardier-kever zou nooit kunnen bestaan volgens het Darwinisme
De Bombardier-kever zou nooit kunnen bestaan volgens het Darwinisme

Meteen dringen er zich enkele vragen op:

1.    Wat was er eerst: de hydroginine of de waterstofperoxide? Zonder elkaar zijn ze waardeloos.

2.    Wat was er eerst: de chemische stoffen of de aparte holtes om ze gescheiden te houden? Zonder elkaar zijn ze waardeloos.

3.    Wat was er eerst: de chemische stoffen of het schietmechanisme? Zonder elkaar zijn ze waardeloos.

Het menselijke oog is een ander voorbeeld van een gecoördineerde evolutie. Als het hoornvlies vaag is, of wanneer de pupil zich niet kan opensperren, of de lens ondoorzichtig is, of het focussen loopt mis, dan wordt er geen herkenbaar beeld gevormd. Het oog werkt ofwel als één geheel, ofwel helemaal niet.

Kan dit alles zich mogelijk gevormd hebben via trage, gestage, onmetelijk kleine Darwiniaanse mutaties?

In een persoonlijke brief uitte Darwin zijn angst over wat hij “organen van een extreme perfectie” noemde. Hij gaf toe dat “het oog, tot op vandaag, me koude rillingen bezorgt.” (Life and Letters of Charles Darwin, Londen, 1888, vol. 2, p. 273)

Maar wat maakt het nu uit hoe alles ontstaan is? Het verschil is eenvoudig maar diepgaand: als de wereld een toevalligheid is, dan ben ik dat ook. En als ik puur toeval zou zijn: wat zou dan het onderscheid zijn tussen een stomme vlieg en mezelf? Bovendien zou mijn creatie geen doel hebben. Het leven is willekeurig, niet zinvol.

Als ik maar een toevallige verzameling van moleculen ben, moet ik dan meer respect hebben voor een mens dan voor een hond? Moet ik mijn verdrinkende hond of een verdrinkende onbekende medemens redden? Is het dan aanvaardbaar om een mensenras als minderwaardig te beschouwen en hen te doden of tot slaaf te maken?

De Thora zegt dat God een spirituele ziel in Adam blies (Genesis 2:7). De mens is niet zomaar een verstandige aap. De mens is een kwalitatief verschillende creatie. Dat “spirituele bewustzijn” onderscheidt de mens van alle andere schepsels, en maakt het ons mogelijk het leven heilig te maken en dicht bij God te zijn.

Maimonides schrijft: “Zo lang je bezig bent met de exacte wetenschappen en met de techniek van de logica, behoor je tot hen die rond het paleis wandelen op zoek naar de poort. Als je je studie van de natuurwetenschappen voltooit en je leert iets over de metafysica, dan mag je de binnentuin betreden en ben je in hetzelfde huis als God de Vader.

Wilt u reageren op dit artikel? Dan kan dat onderaan volgend stuk: klik hier

Tweet
Share
Share
0 Shares