De Joodse Gemeenschap van Gent

groot-640x480Toen de Gentse Patisserie Bloch een tijd geleden de deuren sloot, haalde dit nieuws de nationale media. Maar Bloch was niet alleen de beste patisserie van Gent, de zaak was ook synoniem voor ‘Joods in Gent’. Het bestaan van een kleine, maar bijzonder actieve plaatselijke Joodse gemeenschap in de Arteveldestad is veel minder bekend. Joods Actueel ging bij een aantal markante Gentse Joden op de koffie.

Tekst: Lieve Schacht

Vroege aanwezigheid
Is het bestaan van een ‘Jodenstraat’, een onooglijke straat hartje Gent, een immateriële getuigenis van een vroegere Joodse aanwezigheid? Er zijn in middeleeuwse schriftelijke bronnen sporadische meldingen over de aanwezigheid van Joden in de stad Gent. Logisch, want Gent was op dat moment één van de belangrijkste steden in West-Europa. Veel komen we in die bronnen over het Joodse leven zelf niet te weten. Dit laatste liet de overheid dan weer niet onverschillig, in dit geval de Vlaamse graven. Het territorium waar deze graven over regeerden, omvatte (binnen de huidige Belgische staatsgrenzen) alleen de provincies Oost- en West-Vlaanderen. In 1125 verbood de Vlaamse Graaf Karel de Goede, de Joden nog langer op zijn grondgebied te verblijven. Deze maatregel lag in het verlengde van zijn deelname aan de kruistocht – een ‘must’ voor elke rechtgeaarde vorst uit die tijd. In de loop van de 13de eeuw werden de Joden opnieuw getolereerd en naar aanleiding van het uitbreken van ’De Zwarte Dood’ (een pandemie, die Europa in de greep had van 1347 tot 1351) opnieuw verdreven. Het gerucht verspreidde zich overal, dat de Joden hieraan ten grondslag lagen, ondermeer door het vergiftigen van de waterputten.
Pas in de 18de eeuw duiken heel concrete sporen van Joodse activiteit in Gent op. Deze bronnen brengen ons het relaas van een lange strijd om een eigen Joodse begraafplaats. André Capiteyn beschreef ”hoe de Gentse Joden aan hun eigen kerkhofje kwamen en hoe ze het weer kwijt raakten” in “Ghendtsche Tydinghen”, 1984.

Begin 20ste eeuw
De grondwet van de nieuwe Belgische staat stond in zijn tijd (1831) model als een parel van eenvoud en liberale vooruitstrevendheid: godsdienstvrijheid (naast persvrijheid) was er een belangrijke punt in. Het duurde nog wel even vooraleer de wettelijke regeling van dit principe afgerond werd. Pas met het Koninklijk Besluit van 7 februari 1876 werd de erkenning van de Gentse Israëlitische Gemeente, samen met gelijkaardige gemeentes in vier andere Belgische steden (Brussel, Antwerpen, Luik en Aarlen) helemaal officieel.
In het begin van de 20ste eeuw is de Gentse universiteit een aantrekkingspool voor Joodse studenten uit Centraal- en Oost- Europa, waar zij niet echt welkom waren in de lokale universiteiten. Tussen 1922 en 1935 studeerden er enkele honderden Oost-Europese Joden aan de universiteit. Dit stopt na 1935 met de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Ze studeerden er toegepaste wetenschappen (ingenieur) of geneeskunde. Zowat alle mannelijke studenten werden ingenieur, de vrouwelijke studenten werden arts. Een logische keuze, want dit zijn op de praktijk gerichte studies waar men overal mee aan de slag kan. Als studenten waren deze nieuwkomers aanwezig in Gent, zonder echt lid te zijn van de lokale gemeenschap. Ze stonden ver van de godsdienstige tradities van hun ouders, waartegen ze soms in opstand kwamen. Ze waren dan ook niet geneigd om aan religieuze diensten deel te nemen. Ze voelden zich ’modern’, ze hielden er meestal linkse politieke ideeën op na. Er waren geen georganiseerde Joodse studentenorganisaties, wel informele ontmoetingsplaatsen. Op een bepaald moment werd een Joods restaurant opgericht. Het leverde degelijk voedsel tegen een scherpe prijs, dus kwamen de studenten erop af.
Hoewel dit niet zo bedoeld was, bleven veel studenten na hun studies gewoon in Gent. Er waren carrièremogelijkheden in de industrie en men kon er in alle vrijheid leven. De familie Levin is hier een mooi voorbeeld van. Dochter Eliane Sperling-Levin getuigt:
“Mijn moeder kwam naar Gent vanuit Siedlce (Oost-Polen) om geneeskunde te studeren. Toen de Gentse universiteit enkele jaren geleden een overzichtstentoonstelling over de eerste vrouwelijke universiteitsstudenten hield, bleken velen van hen Joods en Oost-Europees te zijn. Mijn moeder was één van die eerste vrouwelijke pioniers. Zij studeerde af als arts in 1932 en werd vervolgens ingeschakeld (al gebeurde dit niet officieel) in de dienst van de toen zeer befaamde Vlaams nationalistische gynaecoloog, professor Daels. Mijn vader kwam vanuit Warschau naar Gent om er ingenieur te worden. Hij kwam uit een ‘gemiddeld religieus’ gezin. Hij werd resoluut links, maar met een terecht wantrouwen ten aanzien van het stalinisme. Het was voor hem overduidelijk dat één en ander behoorlijk mis liep in de Sovjet-Unie. Het zionisme vond hij onrealistisch en belachelijk. Er was dan ook bij ons thuis weinig ruimte voor het judaïsme. Ik moet wel zeggen dat mijn vader later van mening veranderde. Na de oorlog en de stichting van de staat Israël had hij de moed om toe te geven dat hij zich vergist had en werd hij zeer zionistisch. Maar toen waren mijn kinderjaren voorbij”.

De oorlog
Toen de oorlog uitbrak was de Pool Michaël Lustig rabbijn van de Israëlitische Synagoge te Gent. De Gentse Joodse gemeenschap telde toen zo’n 260 leden, 20% van hen waren Belgen, tegenover 6% gemiddeld op het nationale vlak. Enkele families besloten onmiddellijk na de Duitse inval het land te verlaten.

eliane-320x200
Eliane Sperling- Levin getuigt over de oorlogsjaren in Gent

Eliane Sperling- Levin getuigt over haar vlucht als kind: “Op 15 mei 1940 (5 dagen na het begin van de Duitse invasie) besloten mijn ouders halsoverkop het land te verlaten. We waren met z’n zessen: mijn ouders, oudere zus en ik. Maar ook mijn grootmoeder langs moederskant, die toen in Brussel woonde, ging met ons mee en een Poolse (aangetrouwde) oom langs vaderskant, die als communist naar Gent gevlucht was, uit schrik voor het toenmalige extreem rechtse regime van Pilsudsky in dat land. Veel bagage hadden we niet bij. Op aandringen van de Poolse oom, een ‘ervaringsdeskundige’, namen we vooral niet bederfbare mondvoorraad mee. We namen gewoon de tram naar Geraardsbergen, dit was de meest zuidelijke plaats die met de tram van de Buurtspoorwegen vanuit Gent te bereiken was. Uiteindelijk kwamen we in Canada terecht…in 1943”.

 Jacques Bloch en zoon van de bekende patisserie die vorig jaar de deuren sloot
Jacques Bloch en zoon van de bekende patisserie die vorig jaar de deuren sloot

Ook de familie Bloch sloeg op de vlucht, hoewel zij de Belgische nationaliteit had.
Jacques Bloch was toen amper 12 jaar, maar hij herinnert zich alles nog haarscherp: “Mijn vader wist maar al te goed wat er aan de hand was. Voor de oorlog waren verschillende van onze familieleden uit Duitsland via Gent gevlucht. Maar ook veel Duitse Joden, die geen familie waren kwamen bij ons terecht. Ze werden allemaal door mijn vader aan tafel uitgenodigd. Waarover ze het dan hadden verstond ik niet, want ze spraken Duits en ik was een kleine jongen. Ik weet dat mijn vader op een bepaald moment naar Duitsland ging om een neef te helpen geld het land uit te smokkelen. Op dat moment mochten de Joden in Duitsland nog het land verlaten, maar ze mochten geen geld meenemen. Op woensdag 15 mei 1940 waren de Duitsers door hef Belgische front gebroken: hét moment om te vluchten. De hele familie vertrok, op mijn grootmoeder na. Op het allerlaatste moment besliste ze om achter te blijven: volgens haar was vluchten niet nodig. Zij kende de Duitsers van de eerste wereldoorlog en wist wel hoe ze met hen moest omgaan. We namen een taxi naar Oostende, want we wilden naar Engeland. In Oostende kwamen we in een massa volk terecht. Naar Engeland vertrekken lukte niet omdat alleen Engelse burgers een plaats op de boot konden bemachtigen. Uiteindelijk zijn we er na een hele omweg in geslaagd om in Portugal in te schepen naar New York”.

Marc Verschooris onderzocht de situatie van de Gentse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zijn publicatie ‘Schrijven in de schaduw van de dood’ (uitgeverij Snoeck, Gent 2005) lezen we tot in de details hoe de Gentse Joden de oorlogsjaren beleefden. Zoals elders in België moesten de Joden zich ook in Gent in het ‘Jodenregister’ laten inschrijven. “Ben je zeker dat je Jood bent? Ben je dit héél héél zeker”, vroeg het diensthoofd van de stedelijke bevolkingsdienst, Maurice De Kezel, met nadruk aan Moïse Mogoulsky, toen die zich voor inschrijving in het Jodenregister aanmeldde. Diensthoofd De Kezel probeerde onophoudelijk de mensen voor inschrijving te behoeden, hij wist perfect wie ondergedoken was en hielp mee met de bevoorrading van de onderduikers. Toen hij na de oorlog voor zijn verdiensten geprezen werd, stelde hij dat hij niet meer dan zijn plicht gedaan had. Naar aanleiding van zijn overlijden in 1986 werden, op verzoek van de Gentse Joodse gemeenschap 18 bomen geplant in het ‘woud der rechtvaardigen’ in Jeruzalem. Achttien betekent in het Hebreeuws chai, leven.
Als we rekening houden met de families die de stad ontvlucht waren en met de kinderen die door het ‘Comité de Défence des Juifs’ in Gent waren geplaatst, dan moeten er eind 1942 ongeveer 270 Joden in Groot-Gent geleefd hebben. Ongeveer één derde van de Gentse Joden werd gedeporteerd, 93 overleefden dit niet. Slechts 5 joodse Gentenaars, 3 mannen en 2 vrouwen, werden na de Shoah gerepatrieerd.

De Houg Ivri (Hebreeuwse kring)
Niets was na de oorlog nog hetzelfde, het Joodse leven in Gent moest heropgestart worden. Vanzelfsprekend was dit niet en het duurde een hele tijd. Een groot aantal van de voormalige ingenieursstudenten die de Shoah overleefden, zocht andere oorden op. Heel wat mensen emigreerden ook naar Israël. Op een bepaald ogenblik in de jaren ‘50 bezocht de deken van de Gentse ingenieursfaculteit het Technioninstituut in Haïfa, waar men hem al lachend vertelde dat nagenoeg de hele zware industrie in Israël in handen van Gentenaars was. Nergens ter wereld buiten België was een gelijkaardig grote concentratie van Gentse ingenieurs terug te vinden…
Enkele Gentse Joden namen initiatieven vanuit het oogpunt van de cultus. Voor een Joodse eredienst is er een minjan nodig, dit is een groep van minstens tien mannen. De antiquairsfamilie Kotek nam hierbij het voortouw en deed de synagoge in de Savaanstraat heropleven. Maar het Joodse gemeenschapsleven kwam pas in de jaren ’60 goed op gang. De naar Canada gevluchte familie Levin was toen nog maar net in Gent teruggekeerd en dochter Eliane wilde Hebreeuws leren, met het oog op haar aliya (emigratie naar Israël). Om de Hebreeuwse lessen te organiseren werd de ‘Houg Ivri’ opgericht. De lessen werden een Gentse traditie: gedurende meer dan 30 jaar werd elke donderdagavond Hebreeuws gestudeerd en werd er bijbelles gegeven. Heel wat gezinnen stelden hiervoor in de loop van de jaren hun huis ter beschikking op donderdagavond. Heel wat Joden en niet-Joden kwamen daarop af, ook mensen die aan de universiteit Semitische talen studeerden. Itzhak Sperling gaf tientallen jaren vol enthousiasme les aan de gevorderden. Hij gaf ook bijbelles en Joodse beschavingsgeschiedenis. Maar de wekelijkse lessen waren ook gezellige bijeenkomsten, waarbij na de les met een kop koffie en gebak – bij voorkeur van bij patisserie Bloch − ook over de actualiteit gepraat werd. Vanuit deze groep werden ook tal van nevenactiviteiten georganiseerd: een uitstap naar een tentoonstelling, een theatervoorstelling of een lezing in het Martin Buber instituut te Brussel… Deze activiteiten hadden altijd iets met het judaïsme te maken en waren op zich al de moeite, maar door het regelmatig bijeenbrengen van de mensen ontstond er een sfeer van verbondenheid, waarin elk individu zich gesterkt voelde, want er was een hechte groep om op terug te vallen. Indien nodig – en dat was meer dan eens het geval – ging de groep betogen. Op heel wat nationale manifestaties was de Gentse gemeenschap met een delegatie aanwezig, of het nu ging om de gecontesteerde aanwezigheid van een klooster met kruis in Auschwitz of om solidariteit met Israël. Als feesten, zoals Chanoeka of Pesach, er aan kwamen, werd de Hebreeuwse les ook aangewend om de passende liederen aan te leren. Zo leerde Itzhak Sperling generaties kinderen met heel veel liefde ma nishtama zingen en werden ze ingewijd in de Joodse tradities.
Eliane Sperling vatte de betekenis ervan kernachtig samen: “Mensen kunnen een minderheid zijn, maar het is onmogelijk om alleen te blijven. Om een zekere band met het judaïsme te onderhouden, moet men tussen andere Joden leven, er is geen andere mogelijkheid”. En daar hebben zij en Itzhak, meer dan ieder ander, toe bijgedragen.

Juni-joden
“Ik ben een juni-Jood”, zo start Jacques Bloch het interview nog voor één vraag gesteld werd, “na de oorlog wenste ik geen contact meer met de Joodse gemeenschap. Ik volgde op de radio – een TV had ik toen nog niet – hoe in 1967 de spanning in het Midden-Oosten steeg. Op een bepaald moment werd de straat van Tiran afgesloten, op initiatief van de Egyptische president Nasser. Daardoor werd de toegang tot de Israëlische havenstad Eilat geblokkeerd. De UNO troepen waren op vraag van Egypte teruggetrokken. Heel wat landen hadden voordien beloofd om Israël in zijn bestaansrecht te zullen steunen maar ze deden niets. Alleen Nederland verklaarde openlijk steun aan Israël. Dat deed me denken aan de periode van voor de oorlog. Ook toen sprak men veel over de Joden, maar deed niemand iets. Toen was er in Gent een eerste inzameling voor Israël, bij iemand van de Gentse Joodse gemeenschap. Ik ging ernaar toe, maar ik kende daar niemand, alhoewel iedereen mij wel kende (lacht). Dat was mijn eerste stap in het actief deelnemen aan de gemeenschap. Daarom ook de naam juni-Jood (naar de naam van de zesdaagse oorlog, ook de juni-oorlog genoemd, red.) Daarna zijn we in Brussel naar een grote manifestatie geweest, waar ik dan weer andere mensen leerde kennen. Mijn zus Nicole was wel actief in de gemeenschap, maar ze ging ook nooit naar de synagoge, wel naar de Pesach feesten. Maar zij en haar ‘rare vrienden’ interesseerden me toen niet. Pas daarna werd ik actief: we organiseerden regelmatig inzamelingen. Ik nam er zelf actief aan deel en ging ook bij bekenden geld ronselen. Op een keer ging ik naar de kledingwinkel van de toenmalige voorzitter van de gemeenschap. Hij gaf me 1000 Fr met de opmerking dat hij me nooit in de synagoge zag. Daarop ben ik naar de synagoge beginnen gaan en ben ik er volledig ingestapt: ik werd penningmeester van de gemeenschap en begon ook de Hebreeuwse lessen te volgen. Die lessen werden toen gegeven door een Israëlische student, een zeer gemotiveerde kibboetsnik, die op die manier wat kon bijverdienen.

De acties voor de sovjet joden in de jaren ’70
Jacques Bloch: Op een bepaald moment hoorden we dat er in Brussel een bijeenkomst was over het lot van de Sovjet-Joden. We zijn daar naartoe getrokken, maar er was zo veel volk dat we zelfs niet binnen geraakten. We zijn dan met de Gentse Joodse gemeenschap iets gaan eten op de Grote Markt, maar van dan af hadden we wel de nodige contacten. Daarna volgden nog enkele conferenties, waaraan we dan wél konden deelnemen. En toen kwam het echte werk. Eerst hadden we aan vrienden een adres van een dissident in Moskou meegegeven, maar dit werd onderschept. In 1980 ging ik zelf naar de Sovjet-Unie. De adressen van de contactpersonen uit Moskou noteerden we in het adresboek van mijn vrouw onder Menen, die van Leningrad stonden onder Luik genoteerd. Op die adressen konden we mensen ontmoeten die een aanvraag ingediend hadden om naar Israël te emigreren, maar die geen visum verkregen. Daardoor waren ze meteen ook hun werk kwijtgespeeld. Wij brachten hen jeans, nylon kousen en andere zaken die zeer gegeerd waren op de zwarte markt. Wij waren in Moskou en Leningrad en onze activiteiten daar verliepen vlekkeloos. Maar mensen die iets gelijkaardigs ondernamen in Kiev (Oekraïne) kregen wel te maken met de politie. Het antisemitisme was daar toen onder de bevolking heel erg verspreid. In Rusland zelf was dit minder.
In Gent nam de Joodse gemeenschap ook initiatieven, vooral om de medeburgers te informeren. Zo was er een manifestatie en fakkeltocht voor de Sovjet-Joden op de Kouter, ter gelegenheid van Chanoeka. Op die manifestatie nam ook toenmalig burgemeester Temmerman het woord. De manifestatie maakte grote indruk, en dat was net de bedoeling.
Feestdagen

De voornaamste Joodse feesten werden (en worden) binnen de Joodse gemeenschap van Gent op passende wijze gevierd. Voor Rosj Hasjana (het Joodse nieuwjaar) en Jom Kipoer (de grote verzoeningsdag) zijn er elk jaar diensten. Ter gelegenheid van Chanoeka worden latkes en souvganiot gegeten en krijgen alle aanwezige kinderen een dreidel en een geschenk. Bij Toe bishvat worden nieuwe vruchten gezegend en ook opgegeten natuurlijk. Poerim beperkt zich momenteel in Gent tot de voorlezing van het boek van Esther, maar ooit was het anders. Naar aanleiding van het Joods carnaval werden op een bepaald moment grootscheepse ‘Poerimspiele’ ten tonele gebracht, waar tot 200 mensen op afkwamen. Het absolute hoogtepunt was de opvoering ‘Poerim on Broadway’ onder de professionele leiding van Hannah K. Het was een soort musical waarbij het verhaal van Poerim gezongen werd op melodie van de gekende nummers van de klassieke musical. ‘Het Zwanenmeer’ was ook een succesnummer: volledig naar het werk van Tsjaikovski, maar met dit verschil dat de danseressen in witte tutu allemaal mannen waren. De lat lag op een bepaald moment zo hoog dat niemand daarna nog iets durfde ondernemen omdat het moeilijk was het niveau te evenaren. De ‘Poerimspiele’ waren de enige activiteiten waarvoor er inkomgeld gevraagd werd. De opbrengst ervan ging naar WIZO en KKL. Later (eind jaren ’90) werd nog een ‘Poerimspiel’ door de kinderen opgevoerd. Voor de tekst en het decor zorgden de ouders, de regie gebeurde door een gewezen televisieomroeper. Het was een niet te vergeten ervaring voor alle jonge deelnemers. Ter gelegenheid van Pesach is er elk jaar een gemeenschappelijke seder. Daarbij wordt ma nishtama gezongen door een kinderkoor, dat nadien op zoek kan gaan naar de afikoman.

(G)een eigen synagoge

De synagoge die in gebruik was van 1977 tot 1995
De synagoge die in gebruik was van 1977 tot 1995

Er is in Gent nooit doelbewust een synagoge ontworpen en gebouwd. Wel zijn, in de loop der tijden, verschillende locaties als synagoge gebruikt. Soms werd de woning van de rabbijn daarvoor aangewend. Juist voor de oorlog was dit het geval voor het huis van Michaël Lustig aan de Coupure. Aan de gevel van dat huis werd een gedenkplaat aangebracht ter nagedachtenis van de in de Shoah overleden rabbijn. In 1977 werd een industrieel bijgebouw van een woning omgebouwd tot synagoge. De verbouwing en restauratie gebeurden door het werk en de inzet van een aantal leden. Er werd niet veel geld uitgegeven, maar er werd des te meer tijd en arbeid geïnvesteerd. Om zelf de elektriciteit te kunnen leggen, volgde een universiteitsprofessor zelfs een opleiding tot elektricien. Anderen hebben de muren geschilderd, met de bekende synagoge van Djerba als lichtend voorbeeld. Dat blijkt uit het gebruik van mooie pastelkleuren: mauve, lichtgroen en lichtblauw. Een Thorarol kwam er op initiatief van de vader van de vicevoorzitter van de Joodse gemeenschap, Bill Abrahams. Door omstandigheden moest de synagoge verlaten worden eind 1995. Daarna heeft de Joodse gemeenschap onderdak gevonden in een protestants cultureel centrum. De verantwoordelijken van dat centrum sloven zich echt uit om met alle wensen en noden van de gemeenschap rekening te houden. Al jaren lang kunnen de Gentse Joden rekenen op de diensten van de zeer sympathieke voorzanger Eli Monsonego. Er is in Gent geen minjan op shabbat, maar wel op de Hoge Feestdagen. Voor alle belangrijke levensfases komt de gemeenschap bijeen om samen de vreugde of het verdriet te delen.

Monument Michaël Lustig

Het Monument Michaël Lustig, genoemd naar de gedeporteerde rabbijn
Het Monument Michaël Lustig, genoemd naar de gedeporteerde rabbijn

De Joodse gemeenschap is terecht trots op het monument dat in 1997 tot stand kwam. Het financieren van het monument vergde een grote inspanning van de gemeenschap zelf, maar die kon daarbij ook rekenen op belangrijke bijdragen van het bisdom Gent, de organisatie van de Gentse notarissen en de overheid. Het monument heeft de vorm van een tol en is opgedragen aan de Gentse rabbijn Michaël Lustig en aan alle Gentse slachtoffers van de Shoah. Elk jaar wordt er aan het monument de Kristallnacht herdacht. In samenwerking met de universiteit werd er ook voor gezorgd dat de namen van de Joodse studenten die in de Shoah omkwamen in een gedenkplaat in het peristilium van de aula zijn vastgelegd.
Open voor anderen
In het nabije verleden kwamen nogal wat Israëlische studenten aan de Gentse universiteit studeren, hoewel dit de laatste tijd verminderd is. Ook deze generatie studenten werd met open armen ontvangen. De grap deed de ronde dat de Israëlische studenten 72 uur hadden om zich bij de politie te melden en 24 uur om contact op te nemen met de Joodse gemeenschap. Ze werden geholpen met alle mogelijke praktische beslommeringen die het studeren in een vreemd land met zich meebrengt en ze waren enthousiaste deelnemers aan de Joodse feesten op zijn Gents. Maar ook anderen vonden de weg naar Gent. Een aantal Israëlische hartpatiënten hebben de jongste jaren in Aalst harttransplantaties laten uitvoeren of waren in Gent voor nier- en levertransplantaties. Daarbij werden ze door een aantal Gentse Joden liefdevol ondersteund. Door het langdurig verblijf en de grote afstand van huis was dit heel erg belangrijk voor de betrokkenen. De ‘mitsva van de bikoer cholim’ (de plicht om zieken te bezoeken) werd daardoor met glans vervuld.
Gedurende vele jaren is de Gentse gemeenschap is ook geïntegreerd in ruimere structuren. De gemeenschap is lid van het CCOJB ( Comité de Coordination des Organisations Juives de Belgique), een aantal vrouwen zijn lid van het ‘International Council of Jewish Women’ en van diens Belgische afdeling, de ‘Raad van Joodse Vrouwen’. Eliane Sperling is trouwens voormalig vicepresident van de ‘International Council of Jewish Women’.
De Gentse Joodse gemeenschap kenmerkt zich ook door haar open houding ten aanzien van de niet-Joodse samenleving. Er zijn goede contacten met de stad Gent en een vlotte jaarlijkse samenwerking met het Vredeshuis bij de organisatie van de herdenking van de Kristallnacht. De Joodse gemeenschap werkt ook actief mee aan de officiële 8 mei herdenkingen van de stad en legt een bloemenkrans neer aan het oorlogsmonument samen met de patriottische verenigingen. Voor alle activiteiten wordt samengewerkt met niet-Joodse mensen, zowel vrijzinnigen, katholieken als protestanten.

En verder?
Het is duidelijk dat de Joodse gemeenschap in Gent gedurende de jongste veertig jaar een indrukwekkende staat van dienst heeft afgeleverd. Enkele gedreven leden slaagden er hierbij in om een hele groep met zich mee te krijgen. Maar, mensen worden ouder en omstandigheden veranderen. Door het verdwijnen van de patisserie Bloch is een algemeen gekend eerste contactpunt weggevallen. De gemeenschap zal op dat vlak in de toekomst nieuwe oplossingen moeten vinden. De Joodse gemeenschap in Gent is er na de oorlog in geslaagd om met een kleine groep mensen de Joodse tradities in stand te houden en door te geven. De volgende generatie staat voor dezelfde uitdaging.

Kadertekst: De Woelige geschiedenis van de Joodse begraafplaatsen
Van oudsher werden Joden in Gent begraven op wat men ’heidense kerkhoven’ noemde. Dat waren aparte stukken grond die zo ver mogelijk verwijderd waren van de bijhorende parochiekerk. ‘Heidenen’ (d.w.z. niet katholieken) mochten immers volgens het katholieke recht, niet in de gewijde grond begraven worden. Een vermelding uit 1585 preciseert wie er onder dit verbod viel: ’Van de kerkelycke sepulturen worden depriveert de publique Simonisten, Ketters, Schismatique, Vergifters, Tooveraers, Waerseggers ende Woeckeraers, oock degene die hun selven hun Leven hebben benomen ofte in duel zyn gedoodt ende die hunnen Paeschen niet en hebben gehouden, door wiens Begravinge de gewyde Aerde Ontwydt wordt ”. De Joden werden niet als dusdanig genoemd, maar de opmerkzame lezer kan wel vermoeden op welke plaats ze in dit lijstje ‘pasten’ voor de tijdgenoten…


Door een edict van Jozef II uit 1784 (onze gebieden hoorden toen bij Oostenrijk) werden de kerkhoven rond de verschillende parochiekerken binnen de steden vervangen door nieuwe begraafplaatsen buiten het stadscentrum. Er was echter een probleem: het edict voorzag alleen in katholieke en protestantse begraafplaatsen, hoewel ook de Joden drie jaar eerder, voor het eerst in de geschiedenis, duidelijke rechten verkregen hadden door het Tolerantie-edict.


In de lente van 1786 werd het lichaam van een man uit de Schelde in Gent bovengehaald. De man werd in de katholieke begraafplaats buiten de Dampoort begraven omdat ’naer diversche proclamatien niemant het zelve Lichaem erkende nochte reclameerde’. Uiteindelijk kon de man geïdentificeerd als worden als Cossel Levy, aan de hand van een Hebreeuws document dat op het lichaam gevonden werd. De Gentse Joden ijverden ervoor om hem alsnog een Joodse begrafenis te kunnen geven. Zij gaven de zaak in handen van Hollandse en Antwerpse Joden, die wellicht invloedrijker waren. Hun interventie was succesrijk, want de overheden stemden ermee in ‘dat het cadaver van Cossel Levi zal worden begraven buyten de Dampoorte dezer Stadt, ‘t eynden van de afgezonderde plaetse gedestineert voor de gene die niet en zyn van de Roomsche Catholyke Religie’.


Dit betekende niet dat de Joden in Gent een aparte begraafplaats kregen. Het gedeelte van de begraafplaats dat voor de protestanten voorzien was, werd wel voor de Joden toegankelijk gesteld. Dit piepklein stuk (slechts 9m op 7,5m) zou in de praktijk wel uitgroeien tot een specifiek Joods plekje. Het werd ‘het ghereformeert kerkhof’ genoemd, hoewel er wellicht nooit protestanten begraven werden. Er zijn verder weinig gegevens: uit de enige bewaarde rekeningen van 1798 tot 1806 blijkt dat in er die korte periode vijf Joodse mensen werden begraven (drie kinderen en twee mannen).


Na heel wat incidenten (Franse Revolutie, katholieke tegenbeweging) stabiliseert de woelige politieke situatie zich onder het bewind van Napoleon. De Joodse gemeenschap omvatte toen een 20-tal families en had een eigen synagoge. Op verzoek van Moyses Aron werd in 1805 de Israëlitische begraafplaats opnieuw ter beschikking gesteld. De Joden kregen de sleutel van de toegang en er werd een einde gesteld aan de verplichte taks ten voordele van de kerkfabriek, tot ergernis van katholieke notabelen. Deze toestand blijft zo onder het Hollands Bewind (1815-1830) en na de Belgische onafhankelijkheid (1830). De Joodse gemeenschap in Gent telde toen 119 leden. Ondanks het gering aantal begrafenissen was er na verloop van tijd plaatsgebrek. Volgens de Joodse traditie mag een graf nooit opgeruimd worden om plaats te maken voor nieuwe graven, zoals dit bij de katholieken gebruikelijk is. Als oplossing voor het plaatstekort werd er vaak voor gekozen om een 2de laag boven op de oude aan te leggen. Daarvoor moest aarde aangevoerd worden om het terrein op te hogen. Het stadsbestuur stemde hiermee in (1834). Toen de Joden met het oog daarop, startten met het verhogen van de omheiningmuur, ontbrandde het conflict met de katholieke kerkfabrieken in alle hevigheid. Deze laatsten sloopten de scheidingsmuur en begonnen er dienstgebouwen op te trekken. De rechtzaak die daarop volgde eindigde in het nadeel van de Joden.

Het betekende het einde van de Joodse begraafplaats op het Dampoortkerkhof. In 1847 werd een ander terrein (de zuiderbegraafplaats aan de Heuvelpoort) ter beschikking gesteld door het stadsbestuur, maar ook hier waren tal van problemen. Vanaf 1874 kon de geloofsovertuiging niet langer ingeroepen worden om een afzonderlijke begraafplaats te verkrijgen, dus een aparte plek voor de Joden was niet langer mogelijk. Ook de vroegere begraafplaatsen voor de Gentse Joden verdwenen. De Dampoortbegraafplaats werd in 1877 gesloten en moest plaats maken voor een straat en een school. Ook op de (nog steeds bestaande) zuiderbegraafplaats zijn alle Joodse sporen verdwenen. Sindsdien worden de Gentse Joden buiten de stad begraven, de jongste tijd in Oostende.

Tweet
Share
Share
0 Shares