Boek ‘Manke Fisjke’ van Mendele de boekverkoper

Fisjke der Kroemer van Mendele Mojcher Sforim is het ontroerende en geestige verhaal van twee boekverkopers – Reb Mendele en Reb Alter – en manke Fisjke, die als deus ex machina in het verhaal opduikt. Mendele en Alter reizen te paard  en wagen naar de stad Gloepsk, waar ze hun handel in gebedenboeken, grafzangen, ramshoorns en ander “huilmateriaal” aan de man trachten te brengen.

Daar doorheen is het verhaal van Fisjke verweven, een bedelaar die getrouwd is met een blinde bedelares. Wanneer zij hem inruilt voor een ander, laat Fisjke zijn oog vallen op een eenzaam meisje met een bult, die de ware blijkt te zijn.

Mijn geboortedorp was Kapoelje” schrijft Mendele Mojcher Sforim, pseudoniem voor Sjolom Jankev Abramowitz in zijn autobiografie (1889). “Dat was een godverlaten nest in de provincie Sloezk, in het gouvernement Minsk. Wel had God het gezegend met een rijke natuur, schitterende bossen, velden en glooiende dalen. Die lieflijke natuur werd mijn muze.

Ze lokte me de bossen in en liet me een verbond sluiten met de bomen en planten, met de vogeltjes in de lucht, en alles wat over de aarde kruipt. Mijn geboortedag staat in geen enkel document vermeld. Op zo’n kleinigheid werd vroeger niet gelet, zeker niet in een gehucht als Kapoelje. Maar van horen zeggen ben ik in 1836 geboren en mijn familie hield de 26e december voor de heuglijke datum.”

'Mendele'

Sjoloms vader was een talmoedgeleerde en doorkneed in losjn-koidesj, de heilige Hebreeuwse taal. Sjolom werd al vroeg naar het cheider, het joodse godsdienstschooltje gestuurd en leerde er twaalf uur per dag Thora. Op zijn negende kende hij de Bijbel  uit het hoofd. Vervolgens studeerde hij aan verscheidene jisjieves (talmoedische hogescholen), leefde van liefdadigheid en voelde zich zeer eenzaam. De talmoedstudie scherpte zijn verstand, maar zijn fantasie werd geprikkeld door de “Agada”, de apocriefe verhalen, legenden en folklore die deel uitmaken van de Talmoed.

Toen hij dertien was stierf zijn vader. Sjolom keerde terug naar Kapoelje, waar zijn moeder met een aantal kleine kinderen in behoeftige omstandigheden was achtergebleven. Ze hertrouwde en Sjolom kon zijn kost verdienen door les te geven aan de zonen van zijn stiefvader.

Op zekere dag verscheen er in Kapoelje een zwerver, Manke Avreml genaamd. Geboeid door diens avontuurlijke verhalen, reisde Sjolom met hem mee op een overdekte kar, getrokken door een oude merrie. Ze zwierven door Litouwen, Wolkynië, Oekraïne en Podolië. Avreml buitte de jongen uit; zes jaar lang liet hij hem bedelen van deur tot deur. Ze sliepen in armenhuizen en synagogen. Door tussenkomst van een oude schoolvriend werd Sjolom losgekocht en brak een nieuwe periode in zijn leven aan.

Sjolom kwam terecht in Kamenets-Podolsk, waar hij les gaf in Hebreeuws en Talmoed aan kinderen van gegoede ouders. Zelf legde hij zich toe op de studie van exacte vakken en moderne talen. In 1856 deed hij examen voor leraar en werd aangesteld aan een Russisch- Hebreeuwse staatsschool. Onder invloed van de verlichting en de moderne Europese ontwikkelingen schreef hij artikelen en essays, onder andere over educatie, waarin hij wees op de noodzaak van ruimer onderwijs voor joden, gericht op andere culturen en talen. In 1858 vestigde hij zich in Berditsjev, waar hij trouwde. Zijn bemiddelde schoonvader stelde hem in staat zich geheel te wijden aan het schrijven.

Tot dan toe had Abramowitz zich in zijn geschriften uitsluitend van het Hebreeuws bediend. Desondanks gaf hij herhaaldelijk blijk van zijn gehechtheid aan, mamme-losjn, het Yiddisch zijn moedertaal. “Waar dienen wij, Hebreeuwse auteurs, eigenlijk voor als we schrijven voor mensen die onze woorden niet verstaan. Jiddisch is de volkstaal, de taal van het dagelijks leven, en dáár ligt de bron van de joodse literatuur. Hoe kun je het leven van een volk weergeven zonder de taal van het volk? Dat is, om een talmoedische vergelijking te gebruiken, de wijn bewaren en het vat weggooien.”

In 1864 maakte hij zijn debuut in de Jiddische pers met het verhaal Das Kleine Mensjele dat anoniem als feuilleton verscheen in Kol Mevasser, de Jiddische bijlage van het Hebreeuwse, literaire weekblad  Hamelits onder redactie van Alexander Zederbaum. Vier jaar later kwam zijn Jiddische roman Fisjke der Kroemer uit.

Voor de eerste maal gebruikte Sjolom Jankev Abramowitz zijn pseudoniem Mendele Mojcher Sforim, Mendele de Boekverkoper, waaronder hij in zijn verdere loopbaan zou blijven schrijven. Toen zijn schoonvader failliet ging, was het Mendele niet mogelijk zijn gezin, dat intussen uit zeven personen bestond, te onderhouden. Hij probeerde het met journalistiek en redactioneel werk, maar pas door zijn aanstelling als hoofd van een joods gymnasium in Odessa, verwierf hij de middelen om zijn creatieve arbeid voort te zetten. Gedurende een halve eeuw schreef hij een twintigtal romans en novellen. Hij stierf in 1917.

De eerste versie van Fisjke der Kroemer (Zjitomir 1868) is een boekje van slechts 45 pagina’s in klein formaat, waarin gewoonlijk sprookjesboeken werden gedrukt. In 1886 is de tweede versie gereed, waarin Mendele voornamelijk taalverbeteringen heeft aangebracht en het Jiddisch gezuiverd van Germaanse, Slavische en Hebreeuwse invloeden. Mendele streefde naar een zuiver en autonoom Jiddisch, dat, volgens zijn zeggen, een eigen harmonie heeft. Slechts wanneer klank en ritme daarom vragen, paste hij ingeburgerde woorden uit verwante talen toe. Het tweede boekje was even klein als het vorige en werd nooit uitgegeven.

Twintig jaar na de eerste uitgave verscheen de derde versie (A. Warsjower, Odessa, 1888). Een geheel nieuwe vertelling noemde hij het zelf. Het boek bevat 184 pagina’s en het bladformaat werd verdubbeld. Op het titelblad staat een tekening van Mendele met paard en wagen en daaronder: Alle werken van Mendele Mojcher Seforim in chronologische volgorde gedrukt. Eerste Boek: Fisjke der Kroemer.

Mendele heeft veel invloed gehad op zijn tijdgenoten en jonge letterkundigen die hem de eretitel ‘der zeide’ hebben gegeven, ‘de grootvader’ van de moderne Jiddische literatuur. Mensen, die zoals ik, nu pas kennis kunnen maken met de schoonheid en de poëtische kracht van het Jiddisch, beseffen thans, welke parel uit de Europese Cultuur, door toedoen van Hitler, is gestolen. Ik word er des te bozer om omdat de mensen die deze taal spreken nooit een vlieg hebben kwaad gedaan.

Maar omdat deze zo sprankelende taal toch nog is gered uit de boosaardigheid ben ik immens blij, en tot deze blijheid heeft Manke Fisjke niet weinig bijgedragen.

Uitgeverij: Vassalluci, Jiddische Bibliotheek 1, Amsterdam 1997, 160 p. Vertaald uit het Jiddisch door Willy Bril, ISBN 90 5000 046 0

1.  Onze Vader is koning

Vrolijk is ons hart

altijd zal het vrolijk zijn

we drinken niets dan wijn

verdwenen is de smart.

Kreplech (*) zullen we eten

we drinken melk en honing

want onze God is Koning

nooit zullen we Hem vergeten!

*Kreplech: deegballetjes voor in de soep.

(Fisjke der Kroemer fin Mendele Mojcher Sforim)

Recensie: Yves Van de Steen.

Tweet
Share
Share
0 Shares