Tweehonderd chassidim protesteren voor Israëlische ambassade

Vanuit Antwerpen kwamen gisteren drie bussen en een tiental auto’s naar Brussel om demonstranten te transporteren voor de poorten van de Israëlische ambassade. Zo’n tweehonderd chassidim, enkel mannen, kwamen opdagen in een gecoordineerde actie in verschillende steden wereldwijd. De demonstranten pikken het niet dat de Israëlische staat graafwerken houdt in de stad Jaffa waar volgens hen een Joodse begraafplaats zou liggen.

Archeologen weerleggen dit echter en zeggen dat het duidelijk om niet Joodse graven gaat. Verder zullen de beenderen worden herbegraven op een andere locatie en wijzen Israëlische ambtenaren er op dat eender waar je in het gebied opgravingen doet, je op oude graven zal botsen.

Volgens de Israëlische ambassade gaat deze actie uit van enkele anti-zionistische organisaties die bij deze een excuus vinden om te protesteren tegen de Joodse staat. De grootste ultra-orthodoxe gemeente van het land, de Machsike Hadas van Antwerpen heeft zich uitdrukkelijk gedistantieerd van deze actie die volgens hen door een minderheid wordt gesteund.

Extra informatie:

* In België is er geen Joodse begraafplaats, Belgische Joden beschikken over drie begraafplaatsen in de Nederlandse gemeente Putte (zie foto).  Dat komt omdat in Nederland in tegenstelling tot België de grafrechten eeuwigdurend zijn.

** Enkele maanden geleden was er eveneens protest in Israël naar aanleiding van de expansie van een ziekenhuis. Ook in dat geval moesten oude graven worden verplaatst. Joods Actueel bracht toen volgend artikel:

UITBREIDING ISRAELISCH ZIEKENHUIS ONDANKS JOODS-RELIGIEUZE BEZWAREN

Protest van ultraorthodoxen omwille van schending ondergrond

Dr. Henri JAKUBOWICZ

Op 21 december 2008 vergaderde de kabinetschef van de toenmalige Israëlische eerste minister met zijn medewerkers over twee afzonderlijke onderwerpen, met als gemene deler één en hetzelfde ziekenhuis, dat van Barzilai in de stad Ashkelon. Op de agenda stonden de te nemen maatregelen om het hinterland te beschermen. Lessen moesten immers getrokken worden uit de tweede Libanonoorlog, toen bleek dat grote delen van het grondgebied blootgesteld lagen aan vijandelijke raketten.

Enerzijds viel de beslissing om zeven ziekenhuizen, waaronder Barzilai, te verbouwen, in de zin van een hogere effectiviteit en betere beveiliging. Anderzijds kwam de moeilijkheid aan bod om, zoals gepland, de fundamenten van belangrijke wegen te verstevigen.

Struikelblok van de werken, op specifieke plaatsen, was het raken aan Joodse graven, een grove overtreding van een religieus voorschrift. Eén van die potentieel betroffen oorden was opnieuw… Barzilai. Tijdens de zitting verklaarde een expert in opgravingen dat, volgens de eerste waarnemingen, het daar over verfraaide paganistische graven ging uit het Romeinse tijdperk, naast kleinere Byzantijnse en moslimgraven. Over een Joodse aanwezigheid toen in Ashkelon was niets bekend, maar een definitief uitsluitsel over de etnische oorsprong van alle stoffelijke overschotten kon niet gegeven worden.

De vraag was dan hoe de levensnoodzakelijke vernieuwingswerken aan het ziekenhuis verzoenen met de religieuze verplichting om Joodse graven in ere te houden. De tijd ontbrak om een concrete oplossing uit te dokteren: een week later, op 27 december 2008, startte de operatie in Gaza. Het probleem raakte echter nog meer in het voetlicht, want het ziekenhuis werd onder vuur genomen (Ashkelon ligt op amper 12 km van de kust van Gaza). De nood aan een nieuwe, beschutte vleugel bleek des te vitaler en, onder de druk van de omstandigheden gaf Jonah Metzger, één van de twee Israëlische opperrabbijnen, zijn fiat om de graven te verplaatsen en zo de weg vrij te maken voor de uitbreiding van het ziekenhuis.

Maar eenmaal de rust op het front weergekeerd, krabbelde hij terug. Hij wilde wellicht de confrontatie niet aangaan met de ultraorthodoxe activisten verzameld rond rabbijn Schmiedel, de leider van een organisatie die een onverzettelijk standpunt aanneemt en dito handelt, soms krachtdadig, om het heilige karakter van Joodse graven altijd en overal te vrijwaren. De groepering deinsde er bijvoorbeeld niet voor terug om zelfs het huis van de Ashkenazische hoogste autoriteit, rabbijn Y.S. Eliashiv, met stenen te bekogelen, toen deze het verplaatsen van graven had toegestaan, in een andere zaak.

Voor het ziekenhuis Barzilai had rabbijn Eliashiv geen toegeeflijk oordeel in petto: de ondergrond moest onaangeroerd blijven, omwille van de doden die er begraven liggen. Dat de werken voor de broodnodige accommodaties dan een paar honderd meter verder gebeuren, stelde hij. Jacob Litzman, de ultraorthodoxe viceminister van Volksgezondheid, nam het standpunt van zijn spirituele leider integraal over en verzette zich in de regering tegen de plannen om de verbouwingen in het ziekenhuis zelf te laten plaatsvinden, al was de kostprijs van werkzaamheden iets verderop gigantisch hoger.

Een regeringscrisis dreigde, want Litzman kondigde zijn aftreden aan indien hij niet gevolgd werd. Zo ver ging hij uiteindelijk niet, ofschoon eerste minister Netanyahu recent, na enkele weken bedenktijd, zijn standpunt herzag, de religieuze bezwaren opzijzette en het geschil in het voordeel van de nieuwbouw ter plaatse beslechtte, met instemming van zijn ministerraad. De druk van de publieke opinie – een groot deel van de religieuzen, ultraorthodoxen incluis, die maar niet begreep hoe de bouw van cruciale accommodaties aan een ziekenhuis plots ondergeschikt leek aan de heiligheid van graven, woog door in zijn beslissing.

Intussen had Dr. Eytan Chaï-Am, de kabinetschef van Litzman, ontslag genomen. Hij kon echt geen vrede nemen met de vordering van zijn baas om het ziekenhuis uit te breiden op afstand, niet ter plaatse. Deze plannen bedreigen mensenlevens, benadrukte hij, want artsen zullen dan, vanuit de nieuwbouw, een opvangcentrum voor eerste hulp, lange wegen moeten afleggen naar de afdelingen: 220 meter tot de operatieruimte, 320 meter tot de dienst pediatrie, bijvoorbeeld. Verre afstanden zijn dit, voor wie dringend een patiënt op een draagberrie moet vervoeren van de ene plaats naar de andere, aldus Dr. Chaï-Am. Kostbare tijd ten nadele van de zieke.

Al laten de tegenstellingen anders uitschijnen, ook de rabbijnen hebben natuurlijk in eerste instantie oog voor mensenlevens, en geldt het verbod op grafschennis enkel wanneer het andermans leven niet in gevaar brengt. Zoals steeds, gebeurt het religieuze wikken en wegen aan de hand van Bijbelse en Talmoedische teksten, alsmede responsa uit de vroege en latere rabbijnse literatuur.

Voor gewichtige hedendaagse religieuze autoriteiten als de rabbijnen N. Karelitz en S. Wozner houdt de bouw van een nieuwe vleugel vlakbij het ziekenhuis, en niet in het ziekenhuis zelf, geen onmiddellijk levensgevaar in, en verbieden zij derhalve het verzetten van de graven: “In geen geval mag het levensgevaar ingeroepen worden in een zaak waar het nut van reddende acties slechts veel later zal opduiken. Daar – op het ogenblik – geen dergelijke behoeften voorhanden zijn, betekent het inroepen van een toekomstig collectief levensgevaar om (het verzetten van graven) toe te staan een verdraaiing van de Thorawet. En met de, naar wij vernemen, geboden mogelijkheid om het ziekenhuis op te richten aan een andere kant, zonder schending van graven, is het hele debat overbodig”. Ook de hoger aangehaalde prominente rabbijn Eliashiv drukt zich in deze zin uit.

Andere invloedrijke rabbijnen gaan echter helemaal niet akkoord met deze zienswijze. Onder hen de illustere Sefardische rabbijn Meir Mazuz. In zijn ogen is geen twijfel mogelijk, de graven moeten gewoon verplaatst worden om de voorgenomen expansie van het ziekenhuis te laten doorgaan. Hij haalt vier halachische (halacha = joodse wet) argumenten aan. Ten eerste, het levensgevaar, met de dreiging van vijandelijke raketten, en de noodzaak om hiertegen een beschutte vleugel op te richten zonder nodeloze afstanden te moeten overbruggen. Ten tweede, de enorme meerkosten van de bouw verderop, terwijl honderdduizenden armen aan voedseltekort lijden. Ten derde, de bijna zeker niet-Joodse graven, waarvan de verplaatsing geen religieus probleem stelt. Het geopperde bezwaar dat de handeling andere landen zal aanzetten om zonder schroom Joodse graftomben te verzetten, wuift rabbijn Mazuz weg. Met de gepaste toelichting, het uitzonderlijke karakter van de actie, zal deze met begrip bejegend worden, stelt hij. En het verleden heeft aangetoond dat geen voorwendsel nodig was om, voor triviale redenen, Joodse graven te verleggen, in Spanje bijvoorbeeld, merkt hij nog op. Ten vierde, de precedenten in deze materie, met responsa in ons bezit van toonaangevende rabbijnen in Marokko en ook in Centraal-Europa (de befaamde rabbijn Landau), die een dergelijk oordeel velden. Rabbijn Mazuz somt deze punten op, voor de vuist weg, en verwijst naar een recent rabbijns werk, dat hij volmondig onderschrijft, waarin zeven halachische motiveringen de verplaatsing van de graven in Ashkelon wettigen. Een strenge, behoudsgezinde houding in deze materie is uit den boze, besluit hij.

Pikant is de veronderstelling dat de bepleiters van een hardere lijn – de aangehaalde rabbijnen Eliashiv, Karelitz en Wozner – hun oordeel impliciet baseren op dezelfde referentie als hun opponenten. Het gaat om een responsum van de 18e-eeuwse rabbijn Y. Landau, die in zijn lijvig werk Nodah Biyehudah stelt dat de heiligheid van een lijk enkel vervalt indien een voorhanden zijnde zieke hier voordeel uit kan halen. Enkel bij onmiddellijk levensgevaar dus, wat niet het geval is bij de toekomstige werken aan een ziekenhuis, volgens de enen. Toch wel, voor de anderen, want de “voorhanden zijnde zieke” uit de passage van rabbijn Landau dekt een bredere waaier aan situaties, met name deze waar men zich aan het opduiken van zieken in levensgevaar verwacht, al zijn ze thans niet aanwezig. Deze herinterpretatie, gegeven door de 20e-eeuwse rabbijnse topfiguur Hazon Ish, voedt de redenering van rabbijnen die de verhuizing van de graven in Ashkelon verordenen. In het nog op te richten opvangcentrum van het ziekenhuis zullen immers onvermijdelijk slachtoffers van verkeersongevallen, van raketaanvallen, van zware ziekten aankomen, stippen zij aan, en is er dus halachisch wel degelijk sprake van levensgevaar. Niet alleen daarom moet de vleugel ter plaatse, en niet aanpalend, opgericht worden, oordelen zij, maar ook omwille van de Talmoedische stelling, overgenomen door Maimonides in zijn codex en door het latere wetboek Shulchan Aruch, die bepaalt dat een graftombe die aan het collectief schaadt, wat in Ashkelon het geval is, mag/moet verzet worden. De notie van levensgevaar komt hier zelfs niet tussen, het verbod op het verzetten van graven behoort immers niet tot de strengste religieuze voorschriften. Deze en andere beschouwingen zijn de pennenvrucht van niet alleen Sefardische en religieuszionistische rabbijnen, maar ook van invloedrijke persoonlijkheden uit de Ashkenazische ultraorthodoxie, zoals rabbijn Itzhak Brand. Hij benadrukt in zijn inleidend betoog zijn grote ontzag voor de drie in aanzien hoger geplaatste rabbijnen, voornoemde kopstukken,die hij voor één keer durft tegen te spreken. Hij plaatst alle halachische argumenten voor het overplaatsen van de graven netjes op een rij, met als bijkomend relevant punt de locatie van het ziekenhuis in de stad zelf.

De controverse op godsdienstig niveau staat in schril contrast met de opinie van de man in de straat, gelovig of niet. Hij vindt het hele debat achterhaald, dat hij reduceert tot een ongerijmde keuze tussen levenden en doden. Ook leden van de ultraorthodoxe gemeenschap zitten wat verveeld met de zaak, die het imago van de groep geen goed doet. Misschien mede daarom bleef het protest uit die hoek beperkt, bij de bekendmaking door Netanyahu van zijn uiteindelijke beslissing om, in de ogen van het brede publiek, voorrang te geven aan de levenden.

Tweet
Share
Share
0 Shares