Tussen Joodse wederopleving en antisemitisme in Hongarije

De grote synagoge van Boedapest

De afgelopen maanden is er in Europa de nodige commotie ontstaan rond de huidige regering in Hongarije. Vooral linkse critici beschuldigen de rechts-populistische premier Viktor Orbán ervan de democratie in het land te ondergraven, ondermeer door de invoering van een restrictieve perswet. Maar internationaal bekende linkse intellectuelen zoals de schrijver György Konrád, de filosofe Ágnes Heller en de pianist András Schiffer komen op hun beurt onder vuur van rechts, met de nodige antisemitische onder- en boventonen. “Om Boedapest nu af te schilderen als de hoofdstad van het antisemitisme in Europa, zoals een artikel in Der Spiegel onlangs deed, is echter absurd en contraproductief”, meent András Kovács, professor aan de Centraal Europese Universiteit (CEU) in de hoofdstad Boedapest.

Henk Hirs

De Hongaarse werkelijkheid is aanzienlijk gecompliceerder. Sinds de anticommunistische omwenteling van 1989/1990 is het antisemitisme onder de Hongaarse bevolking bijvoorbeeld niet of nauwelijks gegroeid, zo blijkt uit langdurig onderzoek van Kovács, die hoofd is van het Programma voor Joodse Studies van de CEU. Ook is er al jaren sprake van een duidelijke wederopbloei van de Joodse cultuur, vooral in de hoofdstad Boedapest.

Tegelijk is het gebruik van antisemitisme als wapen in de felle politieke strijd in Hongarije wel sterk toegenomen, met name door de opkomst van de extreemrechtse partij Jobbik. En waar politieke leiders dat soort dingen ongestraft kunnen zeggen, zullen mensen in de straat ook makkelijker hun vooroordelen openlijk uiten.

De positie van premier Orbán en zijn rechts-populistische regeringspartij Fidesz is al even dubbel: terwijl de doorsnee Fidesz politicus niet anti-Joods is, wordt antisemitisme in de partij tot op zeker hoogte geaccepteerd omdat men geen extreemrechtse kiezers tegen het hoofd wil stoten.

Wederopbloei

De renovatie en heropening van de synagoge in Óbuda, gebouwd in 1767 en de oudste van het land, is “misschien wel het belangrijkste symbool van de wederopbloei van het Joodse leven in Boedapest”, zegt de Lubavicher gezant Slomo Köves. Onder het communisme werd het gebouw staatsbezit. Er was een studio van de Hongaarse televisie in gevestigd en akoestisch isolatiemateriaal verborg de prachtige versieringen en ornamenten. Maar begin 2009 kocht de Joodse gemeenschap het gebouw voor een symbolisch bedrag terug en nu wordt het dankzij donaties langzaam in zijn oude glorie hersteld. De synagoge ligt ver van de traditionele Joodse wijk, nog steeds het centrum van het Joodse leven in Boedapest. “Maar dat is prima”, zegt Köves, “want de tachtig- tot honderdduizend Joden in Boedapest – de grootste Joodse gemeenschap in Centraal-Europa – wonen verspreid over de hele stad.

Onder het communisme was de drang tot assimilatie groot, maar zelfs toen verdween het Joodse leven nooit helemaal. Zo bleven er in de Joodse wijk, het oude getto, altijd een synagoge, een ritueel bad en een paar koosjere winkels functioneren. Vandaag heeft Boedapest echter tal van Joodse organisaties, meerdere Joodse lagere en middelbare scholen, een jesjiva, diverse koosjere restaurants, Joodse pruikenmakers en een dozijn functionerende synagogen. De Joodse wijk is, deels dankzij Israëlische investeerders, getransformeerd in een van de meeste hippe districten van de hoofdstad, met trendy winkels, hotels, cafés en galerieën. Ook onder seculiere Joden, de overgrote meerderheid in Hongarije, neemt de belangstelling voor de oude tradities toe, zegt Köves. En het Joodse Zomerfestival in augustus en september, een tien dagen durend feest van Joodse cultuur op een hele reeks locaties, is sinds de start in 1998 uitgegroeid tot een alsmaar uitdijend hoofdstedelijk festijn.

Daarnaast herbergt de stad één van ‘s werelds meest complete Holocaustmuseum, geopend in 2004 en de enige in zijn soort in dit deel van Europa. Aan tal van gebouwen in Boedapest hangen herdenkingsplaquettes en de televisie vertoont films over deze donkere bladzijde van de Hongaarse geschiedenis. Ook is er tegenwoordig een jaarlijkse Holocaust Herinneringsdag waarbij in scholen en in het parlement bij de gebeurtenissen wordt stilgestaan en politici van links en rechts (met uitzondering van Jobbik) de Holocaustslachtoffers bij het monument aan de oevers van de Donau gedenken.

Dat wil niet zeggen dat er niet nog heel veel te verbeteren is. De regeringen van links en van rechts hebben de afgelopen jaren nagelaten het vraagstuk van de minderheden in Hongarije serieus aan te pakken, zowel in het onderwijs als in het politieke debat. “De regering zou moeten verklaren dat Hongarije een land van diverse etnische en culturele tradities is en niet het thuisland van één bepaalde natie, meent Ádam Schönberger, leider van de Joodse organisatie Marom. Maar dat zit er in een nationalistisch georiënteerd land als Hongarije niet in.

Niet toegenomen

Rabbi Köves laat zich niet ontmoedigen door het alledaagse antisemitisme dat er natuurlijk ook is, variërend van jongeren die Joodse begraafplaatsen bekladden en vernielen, het roepen van beledigingen of het brengen van de nazi-groet naar orthodox geklede Joden. “In de twintig jaar die ik als orthodoxe Jood in Boedapest verblijf, heb ik minder problemen gehad dan in de twee jaar die ik in Parijs heb gewoond. Ik wil niet zeggen dat het niet bestaat en extreemrechts maakt zich er zeker schuldig aan. Maar linkse partijen blazen het gevaar om propagandaredenen ook erg op. Daarnaast denk ik dat wijzelf de taak hebben ons open op te stellen, mensen te laten zien wat onze cultuur is. De neiging bestaat om in onze schulp te kruipen, maar onbekend maakt onbemind”.

Het onderzoek dat socioloog Kovács de afgelopen twintig jaar onder de Hongaarse bevolking doet, lijkt dat gedeeltelijk te ondersteunen. In al die tijd is het aantal radicale antisemieten (mensen die ook bereid zijn tot praktische discriminatie over te gaan) altijd rond de 10% gebleven. Daarnaast is er een groep mensen die tot op zekere hoogte anti-Joodse vooroordelen heeft, maar ook die groep is min of meer stabiel rond de 25%. “Het is de laatste twee of drie jaar misschien iets gegroeid, maar niet dramatisch. En deze resultaten zijn niet heel erg verschillend van wat andere internationale onderzoeken, bijvoorbeeld in Duitsland, laten zien”, zegt Kovács.

 

Jobbik antisemitisme

Kovács signaleert daarentegen wel een duidelijke toename in de mate waarin politieke krachten dit soort sentimenten mobiliseren, vooral in verkiezingstijd. Er waren de afgelopen twintig jaar altijd wel incidenten waarbij deze of gene extreemrechtse politicus meende antisemitische opmerkingen te moeten maken over socialistische en liberale tegenstanders. Dat gebeurde soms openlijk maar veel vaker nog met codewoorden (‘kosmopoliet’, ‘internationalist’), die door iedere Hongaar donders goed worden begrepen.

Met de opkomst in de laatste paar jaar van de extreemrechtse partij Jobbik zijn openlijk antisemitische opmerkingen in politieke toespraken echter bijna gemeengoed geworden. Jobbik koppelt aan haar antisemitisme geen enkele concrete politieke eis, zoals de partij dat wel doet bij haar felle antizigeuner retoriek, uitmondend in expliciete eisen tot discriminatie van Roma, meent Kovács. “Het Jobbik antisemitisme is vooral een soort groepstaal, een identificatiepunt. Maar omdat dit soort taal van politieke leiders nu opeens in het openbaar wordt gebezigd en toegelaten, gaan mensen in de straat dat kopiëren en worden ook zij brutaler om datgene wat ze vroeger alleen maar dachten, nu ook te zeggen. Dat wordt vervolgens ervaren als een dramatische toename van het antisemitisme”.

Dat soort gedrag is zeker waar te nemen bij jongeren, onder wie rechtse en radicaalrechtse ideologieën vandaag de dag in Hongarije even modieus zijn als links-radicale ideeën in de jaren zestig waren onder jongeren in West-Europa. “De meerderheid van de Hongaren heeft de neiging weg te kijken”, zegt de filosofe Ágnes Heller. “In West-Europa en de VS protesteren mensen als je zulke dingen zegt. Het probleem in Hongarije is niet dat antisemieten de vrijheid hebben om zich uit te spreken, maar dat niemand tegen deze mensen zegt dat ze hun mond moeten houden”.

Mei 2010

Monument aan de Donau voor de slachtoffers van de Holocaust

En toen kwamen de verkiezingen van mei 2010. Posters werden beklad met davidsterren en antisemitische leuzen. Aanhangers van Jobbik reden rond met stikkers als ‘Jodenvrije auto’ of liepen in T-shirts met pro-nazi leuzen. In het weekeinde voor de verkiezingen schoten onbekenden met een katapult twee stenen door de ramen van het huis van rabbi Shmuel Raskin toen deze met vijftig gasten Pesach vierde. En tijdens een speech van de vorige (liberale) burgemeester van Boedapest Gábor Demszky schreeuwde een groep demonstranten ‘Joodse varkens’ en ‘Naar de concentratiekampen met jullie’.

In de aanloop naar de stembusgang zorgde ook de aanwezigheid op straat van groepen van de Hongaarse Garde, de paramilitaire afdeling van Jobbik, voor de nodige spanning. Groepen marcherende en liederen zingende mannen in zwarte uniformen en laarzen en met wapperende vlaggen met symbolen die overduidelijk zijn geleend van de Pijlkruisers, de Hongaarse fascistische partij in de Tweede Wereldoorlog, dat roept bepaald associaties op. Weliswaar werd de Garde al in 2008 door de rechter verboden, maar dat verbod was niet makkelijk te handhaven en ook in de maanden voor de verkiezingen gaf de nu ‘Nieuwe Garde’ nog regelmatig acte de présence tijdens bijeenkomsten van Jobbik.

Revolutie via de stembus

Extreem rechts haalde vervolgens maar liefst 16,3% van de stemmen, hoewel dat minder te maken had met het antisemitisme van de partij als met haar fervente antizigeuner campagne. Nog belangrijker was de overweldigende overwinning van Fidesz. De partij kreeg 54% van de stemmen en dankzij een merkwaardig kiesstelsel, ook meer dan tweederde van de zetels in het parlement. Met die meerderheid kan de regeringspartij elke verandering die ze maar wil doorvoeren, inclusief veranderingen in de grondwet. “Een revolutie via de stembus”, noemt premier Orbán het en hij claimt dat hij op basis daarvan het recht heeft een radicale conservatieve koerswijziging door te voeren om het land – economisch, sociaal en moreel – weer op orde te brengen. Daarmee neemt de regering tegelijk ook, zegt hij, de wind uit de zeilen van Jobbik. En inderdaad is het rond die partij de laatste maanden buitengewoon stil en heeft de Garde de facto opgehouden te bestaan.

Maar critici beschuldigen Orbán ervan dat hij de grenzen van de democratie op ontoelaatbare wijze oprekt. Zij hekelen de invoering van een mediawet die de mogelijkheid van censuur in zich draagt, het beknotten van de macht van onafhankelijke instellingen, het uitbreiden van de invloed van de regeringspartij op alle niveaus van de overheid, de cultuur en het onderwijs en het manipuleren van de kiesregels.

Wind uit de zeilen

In dit politieke conflict steekt het antisemitisme opnieuw af en toe de kop op, ditmaal in regeringsgezinde media zoals Echo-TV en de krant Magyar Hirlap, beiden eigendom van de Hongaarse multimiljonair/zakenman Gábor Széles. Een hoofdrol daarbij speelt de publicist Zsolt Bayer, samen met Viktor Orbán een van de oprichters van Fidesz in 1988 en nog altijd een persoonlijke vriend van de premier. Bayer staat al jaren bekend om zijn antisemitische en antilinkse tirades en hetzes. In een artikel begin januari haalde hij bijvoorbeeld weer fel uit tegen kritische intellectuelen als Konrád en Heller, de columnist van The Guardian Nick Cohen en Groene Europarlementariër Daniël Cohn-Bendit. Hij had het over “dat soort Cohen-types” en betreurde dat “ze helaas niet allemaal tot aan hun nek zijn begraven in de bossen van Orgovány”, de plaats waar in 1919 duizenden communisten en Joden door rechtse troepen werden afgeslacht  onder admiraal Horthy.

En hoewel premier Orbán tijdens een bijeenkomst op 25 januari met de president van het Joodse Europese Congres Moshe Kantor verklaarde dat “er geen plaats is voor antisemitisme in Hongarije”, heeft hij zich binnenslands nog nooit van zijn vriend Bayer gedistantieerd. Sterker nog, een week na het bovengenoemde artikel kreeg de man de Madách-prijs, een culturele onderscheiding, uitgereikt door het Fidesz-bestuur in de provincie Nógrád. “Fidesz tolereert dat soort mensen in en rond de partij in de hoop daarmee extreemrechtse kiezers aan zich te binden en weg te houden bij Jobbik”, meent socioloog Kovács. Hoe ver de partij bereid is daarin te gaan, is onvoorspelbaar. “Maar het grote risico is dat ze het antisemitisme alleen maar verder legitimiseren”, zegt Kovács.

De auteur is freelance journalist. Hij is sinds 1990 gevestigd in Hongarije en werkte in die tijd voor een reeks Nederlandse bladen (onder meer Trouw, Het Parool en Het Financieele Dagblad) en radiozenders (ondermeer Radio Éen en de Wereldomroep).

Tweet
Share
Share
0 Shares