Het Joodse “gebed van de arts” – Wie is de echte auteur?

Een joodse arts (foto: archief)
Een Joods-orthodoxe arts (foto: archief)

Bij menig Joodse arts, ook bij ondergetekende, prijkt aan een muur van de consultatieruimte een prachtvolle ethische tekst, die hem dag in dag uit herinnert aan zijn missie. Geen betere inspiratiebron denkbaar om het beroep naar best vermogen uit te oefenen dan telkens weer dit ‘Gebed van de arts’ door te nemen, in zijn originele versie of in een vertaling ervan.

 Dr. Henri JAKUBOWICZ

Als auteur wordt vaak Maimonides geciteerd, de grote middeleeuwse rabbijn en arts, die bij religieuze Joden bekend staat onder zijn Hebreeuwse acroniem Rambam, de afkorting van rabbi Mozes ben Maimon. Gedrukte afschriften van de tekst vermelden vaak zijn naam aan het einde, maar wellicht ten onrechte.

Alvorens uit te weiden over wie uiteindelijk naar de pen greep, volgt hier een eigen Nederlandse vertaling van dit gebed:

Algoede en Barmhartige! Gij hebt het menselijke lichaam vol wijsheid geschapen. Tienduizenden werktuigen hebt Gij daarin verenigd, die zonder onderbreking actief zijn, om op dat mooie geheel te waken en het met een algehele schoonheid te voeden als een ontvangstplaats voor het eeuwige leven. Zonder oponthoud voeren zij in stilte hun bezigheid uit, in volle orde, harmonie en samenhorigheid. Maar wanneer de broosheid van de materie of ongebreidelde verlangens de juiste orde en de samenhorigheid verstoren, werken de krachten elkaar tegen en valt het lichaam uiteen in zijn oorspronkelijke stof. Dan zendt Gij de mens de weldadige boten, de ziekten, om hem het nakende gevaar te melden en hem aan te sporen ze bijtijds af te wenden.

Uw aarde, Uw stromen en Uw bergen hebt Gij met heilzame stoffen overladen, die in staat zijn het lijden van Uw schepsels te verzachten en van de ondergang af te helpen. En aan de mens hebt Gij de wijsheid gegeven om het menselijk lichaam uit de ellende te halen en zijn functioneren zowel in zijn normale als zijn gestoorde patronen te herkennen, en ook om de heilzame stoffen uit hun opslagplaatsen te halen, hun goede eigenschappen te onderzoeken, ze te vervaardigen, en ze aan te wenden volgens de aard van de ziekte.

Ook mij heeft Uw eeuwige voorzienigheid uitverkoren, om op het leven en de gezondheid van Uw schepselen te waken. Ik sta nu klaar om mijn roeping te volbrengen. Help mij, barmhartige God, in mijn grote taak, en maak mij slagen, want zonder Uw hulp zal de mens zelfs in zijn kleinste onderneming niet slagen. Laat liefde voor mijn vak en voor Uw schepselen mij helemaal bezielen. Verhoed dat geldzucht, roem en aanzien zich mengen in mijn werk, want dat zijn vijanden van de waarheid en van de mensenliefde, zij zouden mij kunnen doen mistasten in mijn grote onderneming om Uw schepselen wel te doen.

Houd de krachten van mijn lichaam en ziel in stand, dat zij te allen tijd paraat wezen, onverpoosd, of het nu een rijke of een arme betreft, een goede of een slechte, een vriend of een vijand. Laat mij in de zieke alleen de mens zien. Hij is een mens! En Gij schept en onderhoudt immers ook de mens, of hij nu rijk is of arm, goed of slecht, vriend of vijand! Houd in mij een gezond en eenvoudig verstand in leven, dat het aanwezige moge begrijpen en het afwezige naar behoren moge vermoeden. Laat het niet afzinken, zodat het zich niet verkijkt op het zichtbare. Laat het ook niet te zeer boven zich uitstijgen, zodat het niets ziet wat onzichtbaar is. Want dun en vaag is de grens in de grote kunst om het leven van Uw schepsels en hun gezondheid te vrijwaren. Laat mijn geest steeds trouw aan zichzelf zijn. Aan het ziekbed mogen geen vreemde dingen zijn aandacht verstoren. Laat hem alles memoreren wat ervaring en denkpatroon in hem gegrift hebben, en dat niets hem store in zijn stille werkzaamheden, want groot en heilig zijn de handelingen ter behoud van het leven van Uw schepsels en hun gezondheid. Laat mijn zieken mij en mijn kunst vertrouwen, en mijn aanbevelingen volgen. Houd ver van hun verblijf alle kwakzalvers en het hele leger van naaste raadgeefsters en alwetende bewaaksters. Want zij vormen een wrede populatie die met hun hoogmoed de beste verwezenlijkingen van de geneeskunst vernielen en frequent ook de dood van Uw schepsels veroorzaken. Indien wijzere experts mij willen verbeteren en terechtwijzen, laat mijn geest dankbaar en volgzaam zijn. Want de kunst is veelomvattend, en de ene ziet niet wat de andere ziet. Maar indien arroganten zonder wijsheid mij hekelen, laat mijn liefde tot de kunst mijn geest helemaal stalen, zodat hij zich vastpint aan de aangevoelde waarheid, zonder achting voor roem, leeftijd en aanzien, want toegeven betekent de dood en de ziekte van Uw schepsels!

Laat op mijn geest zachtmoedigheid en geduld rusten, wanneer oudere collega’s, trots op hun gevorderde leeftijd, mij verdringen en bespotten en mij honend willen verbeteren. Laat mij voordeel halen uit het goede in hen, want zij weten een aantal dingen (en als wijzen kunnen zij veel weten) die mij nog vreemd zijn. Maar zorg ervoor dat ik mij aan hun hoogdravendheid niet erger, want zij zijn ouderlingen, en de ouderdom overmeestert de hartstocht niet – en ik hoop ook op aarde oud te worden, voor U, Algoede!

Begunstig mij met de deugd van de genoegzaamheid in alles, alleen niet in de grote kunst. Laat nooit de gedachte bij mij opkomen dat ik voldoende kennis bezit, maar geef mij kracht, vrije tijd en drijfveer om zonder oponthoud mijn kennis bij te werken en nieuwe te vergaren. Groot is de kunst, maar ook het verstand van de mens is voor hem niet onbevattelijk. Het reikt altijd verder. Vandaag zal mijn geest talrijke vergissingen ontdekken in mijn kennis van gisteren, en in mijn kennis van vandaag vindt hij wellicht morgen talrijke blunders.

Algoede!, Gij hebt mij uitgekozen om te waken over Uw schepsels in hun leven en dood. Ik sta op het punt mijn missie te vervullen. Sta mij bij in deze grote taak opdat ze zou slagen, want zonder Uw bijstand lukt de mens zelfs de kleinste taak niet!”.

 

In 1783 publiceerde het Deutsches Museum, een toen nieuw Duits tijdschrift, het gebed onder de titel ‘Täglisches Gebet eines Arztes bevor er seine Kranken besucht’. De identiteit van de auteur werd niet vermeld, maar een expliciete aanwijzing gaf een duidelijk spoor. Een aantekening gewaagde immers van een Hebreeuws handschrift opgesteld door “een beroemde Joodse arts uit het Egypte van de twaalfde eeuw”. De persoonsbeschrijving, de periode, het oord, alles wees in de richting van één en dezelfde figuur: de illustere Maimonides (1135-1204), rabbijn, arts en filosoof. En inderdaad, niemand anders dan hij beantwoordt aan de geschetste karakteristieken. Niet verwonderlijk dus dat tot vandaag de dag de naam Maimonides bovenaan of onderaan een afdruk van het gebed prijkt. Verschillende versies van de tekst circuleren, meestal verkorte en wat gewijzigde vormen.

Geïntrigeerd door de wat cryptische verwijzing naar de auteur, en door het gebrek aan concreet bewijsmateriaal, verdiepten vorsers zich in de historiek van het gebed. Zij namen de draad weer op bij de eerste, Duitstalige publicatie en traceerden de Hebreeuwse vertaling die kort daarop volgde. Deze kwam er al in 1790, en werd opgesteld door Isaac Eichel. Ze verscheen in het Hebreeuwse tijdschrift Ha-Me’assef, opgericht in Königsberg door aanhangers van de Joodse verlichting, de Haskala. En, o verrassing, als auteur wordt hier niet Maimonides aangegeven, noch een andere Joodse arts uit de twaalfde eeuw, maar wel ene Dr. Marcus Herz (1747-1803). Op zijn verzoek was deze Hebreeuwse vertaling tot stand gekomen, heet het nog in het opschrift. Een halve eeuw later, in 1841, publiceerde de Voice of Jacob, een Engelse krant, de eerste Engelstalige vertaling vanuit het Hebreeuws, onder de titel ’Daily Prayer of a Physician’. De vertaler geeft hierbij deze toelichting: “De redactie van dit gebed werd verkeerdelijk toegeschreven aan Maimonides, maar is een verwezenlijking van wijlen Dr. Marcus Herz, een gevierde arts uit Berlijn. Het werd door hem gepubliceerd in de Duitse taal, terwijl de Hebreeuwse versie, die in de Me’assef aangetroffen wordt, haar bestaan dankt aan de pennenvrucht van Itzig Eichel”.

In 1863 komt de Duitstalige versie opnieuw te voorschijn, ditmaal in de Duits-Joodse krant Allgemeine Zeitung des Judentums. De uitgever, Ludwig Philippson, noemt geen auteur, hij herneemt de verwijzing naar een Hebreeuws manuscript geschreven door een illustere Joodse arts uit de twaalfde eeuw. Maimonides, dus. Maar professor Yeshayahu Leibowitz (1903-1994), de vermaarde joodsorthodoxe filosoof, grote kenner van Maimonides, geeft aan dat Philippson geen eigen zoekwerk verrichtte, en gewoon de tekst overnam (met minieme wijzigingen) die 80 jaar eerder was afgedrukt in het Deutsches Museum, een tijdschrift dat hij zelfs niet vermeldt. Intellectueel bedrog, vindt Leibowitz, die zich in het auteurschap van het gebed verdiepte, er een gedocumenteerd artikel over schreef, en tot de conclusie komt dat Marcus Herz de scribent is.  Om zich een mening te vormen, spaarde de professor tijd noch moeite.

Hij kreeg inzage in zeldzame documenten, zoals een fotokopie van een artikel geschreven door de gerenommeerde Amsterdamse bibliograaf en historicus Sigmund Seeligmann. Die publiceerde in 1928 een tekst in het Nederlandse Joodse weekblad De Vrijdagavond, onder de titel ’Morgengebed van den Arts naar Maimonides’. Daarin verwijst Seeligmann als eerste naar de eigenlijke bron in het Deutsches Museum. Op de kopie die Leibowitz onder ogen kreeg, en die bewaard wordt in de Rosenthaler bibliotheek van Amsterdam, is een randbemerking toegevoegd in inkt. Deze vermeldt dat K.F. Udens al in 1783, in zijn boek Medizinische Politik, noteerde dat “Dr. Marcus Herz, een Berlijnse arts, de auteur is”. Het Nederlandse Joodse weekblad, met zijn confidentiële oplage, drong niet door tot wetenschappelijke kringen, en de belangrijke aantekening van Seeligmann kreeg daar geen weerklank.

Om diezelfde reden, het gebrek aan bekendheid van het medium, waren ook de bevindingen van Moïse Schwab (1839-1918) tevoren onopgemerkt voorbijgegaan. Deze Franse linguïst, geschiedkundige en bibliothecaris  was nochtans de eerste die, met het wijzen op de Hebreeuwse vertaling door Eichler, twijfel zaaide over het auteurschap van het gebed, Tot dan toe was het gelinkt aan Maimonides, mede door de wat onzorgvuldige publicatie van Philippson, die hij enkele jaren later overgenomen had in een boek. Schwab schreef het gebed toe aan Marcus Herz, en dat deed ook Dr. Gotthard Deutsch in het prestigieuze tijdschrift Journal of the American Medical Association (JAMA). Daar verschenen in 1929 de bevindingen van deze professor in Joodse geschiedenis en literatuur aan het Hebrew Union College van Cincinnati. De JAMA nam een deel van zijn brief over die hij al in 1908 gericht had aan de American Israelite en waarin hij diegenen die Maimonides als auteur aangaven hevig bekritiseerde.

Over deze Marcus Herz, de Berlijnse arts wiens naam telkens weer naar voren geschoven wordt als auteur van het gebed, valt meer te vertellen. Als discipel van Emmanuel Kant, voor wie hij als respondent fungeerde toen Kant een dissertatie voorstelde aan de universiteit van Königsberg, doceerde hij een tijdlang filosofie. Hij wijdde zich later aan de geneeskunde, werkte in het Joodse ziekenhuis van Berlijn, en was de persoonlijke arts van zijn leermeester en vriend Moses Mendelssohn, de befaamde rabbijn en filosoof. De hoger aangehaalde Haskala beweging was een uitloper van de leer verspreid door Mendelssohn. Zij verenigde zijn discipelen, onder wie Herz en, in een voornamere rol, Isaac Eichel, die de Hebreeuwse vertaling van het gebed verzorgde in HaMe’assef, het tijdschrift dat de ideeën van de beweging weerspiegelde, een modernere, aan de tijd aangepaste geloofsbelijdenis, tot ergernis van rabbijnse leiders. Mendelssohn zelf hield zich buiten deze denkfabriek, schreef zijn bijdrage elders dan in Ha-Me’assef, en bleef tot het einde trouw aan zijn strikt joodsorthodoxe geloof.

Leibowitz staat stil bij inhoud en vorm van het gebed, en toetst deze aan de geschriften van Maimonides. De professor vindt meer verschilpunten dan overeenkomsten. Bij deze laatste stipt hij de nadruk aan op het verzorgen van patiënten ongeacht hun rijkdom of de sympathie voor hen. Deze aanbevelingen herinneren immers aan de brief geadresseerd door Maimomides aan Ibn Tibbon. Daarin beschrijft hij hoe zijn eigen wachtzaal vol zit met belangrijke en minder belangrijke mensen, met vrienden en vijanden … . De algemene teneur van het gebed, met zijn hoge ethische normen, past ook wel bij Maimonides. Problematischer is de algemene toon van het gebed, niet gelijkend op de expressievorm van Maimonides. Een uitdrukking als “dat mooie geheel”, met betrekking tot het menselijke lichaam, lijkt eerder ontleend aan de fraseologie van de natuurfilosofie uit de tijd van Herz. Ook de woorden “alwetende bewaaksters” passen beter bij die 18e eeuw dan bij het leven ten tijde van Maimonides. De opmerking over de generatiewissel tussen de jonge artsen en de oude garde van conservatieve professoren karakteriseert eveneens een periode dichter bij ons.

Deze beschouwingen harden Leibowitz in de overtuiging dat niet Maimoinides, wel Herz de auteur is van het gebed. Indien dat zo is, blijft natuurlijk de vraag waarom Herz zijn tekst niet signeerde, maar de piste activeerde van een Hebreeuws manuscript geschreven door een bekende Joodse arts uit de 12e eeuw. Als mogelijke verklaring schuift Leibowitz de sterke Joodse identiteit van Herz naar voor en zijn wil om de lange traditie van Joodse artsen in de verf te zetten, ter versteviging van hun plaats binnen de Christelijke maatschappij van zijn tijd.

De meeste vorsers delen de visie van Leibowitz. Onder hen Dr. Süssman Muntner, een grote kenner van Maimonides’ medische geschriften.

Dr. Fred Rosner, Amerikaans expert in Joodse medische ethiek, en auteur van het boek The Medical Legacy of Moses Maimonides, nam het gebed onder de loep en ging de talrijke publicaties na over het onderwerp. In een lange bijdrage geeft hij de mening van de enen en de anderen weer. Zijn conclusie luidt ook dat de indicatoren, in hun overweldigende meerderheid, in de richting wijzen van een andere auteur dan Maimonides, veeleer iemand uit de achttiende eeuw, waarschijnlijk Marcus Herz. Een absoluut bewijs hiervoor ontbreekt echter, en komt er wellicht nooit.

Tweet
Share
Share
0 Shares