Israël als “joodse staat” erkennen pijnpunt in onderhandelingen

President Peres en de Sefardische opperrabbijn Yitschak Yosef bij het gebed voor de bomen op Tu Bishvat (foto: flash 90)
President Peres en de Sefardische opperrabbijn Yitschak Yosef bij het gebed voor de bomen op Tu Bishvat (foto: flash 90)

Israël heeft de onderhandelingen met de Palestijnen stopgezet na de overeenkomst tussen Fatah en Hamas om samen een regering te vormen. De Amerikaanse bemiddeling om tot een vredesakkoord te komen waren al enkele weken voordien stopgezet. Eén van de breekpunten van een mogelijk vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen was de Palestijnse weigering om Israël te erkennen als Joodse Staat. Nochtans is Israël in 1948 op voorstel van de Verenigde Naties ontstaan als een Joodse staat / een staat voor de Joden. Waarom dan al die heisa over een vaststaand feit?

Lieve Schacht

Zelfbeschikking

De Palestijnse erkenning van het recht van de Joden op zelfbeschikking en Israëls erkenning van het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht vormen de basis voor de tweestatenoplossing. Twee staten voor twee volkeren moet een definitieve vredesregeling mogelijk maken. Zo luidt althans de Israëlische visie op het beëindigen van de vijandelijkheden. De Palestijnse weigering om Israël te erkennen als het thuisland voor het Joodse volk raakt volgens Israël dan ook de kern van het conflict. Israël dringt er daarom op aan dat de aanvaarding van het bestaan van een soevereine Joodse staat in het Midden-Oosten in het definitieve vredesakkoord duidelijk omschreven wordt. Gezien door een westerse bril lijkt dit overbodig. Israël is toch wel per definitie de Hebreeuwse staat, het land van de Joden?

Maar aan Arabische kant is dit niet zo vanzelfsprekend. De aanvaarding van de tweestatenoplossing door de Palestijnen is allesbehalve zeker. Palestijnse toponderhandelaar en voormalige buitenlandminister Nabil Saath verwoordde dit in een interview op de Arab Broadcast TV (juli 2011) als volgt: “het verhaal van de twee staten voor twee volkeren houdt in dat er aan de ene kant een Joods volk zou zijn en aan de andere kant een Palestijns volk. Wij zullen dit nimmer aanvaarden. Niet als een onderdeel van een Frans initiatief en evenmin als een onderdeel van een Amerikaans initiatief”. Op de jongste conferentie van de Arabische Liga in Koeweit (eind maart 2014) raakten de 22 deelnemende landen het slechts over één punt eens: Mahmoud Abbas kreeg er de volle steun voor zijn weigering om Israël te erkennen als Joodse staat. De Israëlische vrees is bijgevolg niet helemaal ongegrond.

Deze Israëlische bekommernis was ook in vroegere onderhandelingsrondes latent aanwezig. Bij de voorstelling van de Road Map in 2003 formuleerde premier Sharon volgende bedenking: “Zowel in de inleidende beginselen als in de definitieve regeling moet een duidelijke verklaring worden afgelegd over Israëls bestaansrecht als Joodse staat en moet afgezien worden van het recht op terugkeer naar Israël voor de Palestijnse vluchtelingen”. Ook Tsipi Livni, die in 2007 de onderhandelingen voerde als buitenlandminister in de regering van Ehud Olmert, drukte zich uit als volgt: “Het is ons idee om te verwijzen naar twee staten voor twee volkeren. Onze twee natiestaten zijn Palestina en Israël en zij moeten naast elkaar leven in vrede en veiligheid. Daarbij is elke staat het geboorteland voor zijn volk. Daarmee worden ook de eigen nationale verzuchtingen en het recht op zelfbeschikking in een eigen territorium vervuld.”

In zijn publieke verklaring op de Annapolis conferentie in 2007, benadrukte ook premier Olmert dat hij verwachtte te komen tot een overeenkomst, die helemaal in de lijn ligt van de visie van president Bush in verband met twee staten voor twee volkeren: “Voor het Palestijnse volk een vredelievende en democratische Palestijnse staat, die leefbaar en sterk is en vrij van terreur. En daarnaast het nationaal tehuis voor het Joodse volk.”

Toegevingen zonder gevolg

In de loop van de verschillende onderhandelingsrondes deed Israël verregaande toezeggingen om de patstelling te doorbreken. In de zomer van 2002 bracht de Amerikaanse president Bill Clinton beide partijen aan de onderhandelingstafel in Camp David. Op tafel lag een voorstel voor twee staten: een Joodse en een Palestijnse. Israël zou zich in een tijdspanne van 36 maanden terugtrekken uit 94 à 96% van de bezette gebieden. Er zou in die gebieden een Palestijnse gedemilitariseerde staat opgericht worden met een sterke Palestijnse veiligheidsdienst. Jeruzalem zou verdeeld worden volgens etnische grenzen: Arabische gebiedsdelen zouden een Arabisch bestuur krijgen, Joodse districten een Joods bestuur. Voor de Palestijnse vluchtelingen zou een compensatieregeling uitgewerkt worden en hervestiging. Het recht op terugkeer zou uitsluitend binnen de op te richten Palestijnse staat mogelijk zijn. Zo niet zou Israël zijn Joods karakter verliezen, wat tegen het principe van de tweestaten oplossing indruist. Tot grote ergernis van Clinton wees Arafat deze voorstellen af. Kort daarna brak de tweede Intifada uit met een golf van zelfmoordaanslagen in Israëlische restaurants, bars en bussen. Deze aanslagen werden actief aangemoedigd door Arafat, die niet bij Hamas wilde achterblijven. Vrede leek verder af dan ooit.

In 2002 werd Ariël Sharon de nieuwe premier van Israël. Hij wilde absoluut een einde maken aan de terreur. Het Israëlische leger trok een aantal steden op de Westbank binnen, waar de aanslagen werden voorbereid. In 2003 werd gestart met de bouw van de veiligheidsafscheiding, waardoor het terrorisme aanzienlijk afnam. Sharon was er ondertussen van overtuigd dat er absoluut een tweestaten oplossing moet komen. “Als we oprechte, echte en generatielange vrede willen, dan zullen we pijnlijke toegevingen moeten doen. Niet in ruil voor beloftes, maar in ruil voor vrede”. Hij vond Arafat irrelevant en wilde eenzijdig de tweestaten oplossing doorvoeren. In 2004 organiseerde hij de volledige Israëlische terugtrekking uit Gaza, ondanks fel protest in eigen land. Maar hij werd in 2006 geveld door een hersenbloeding. Daarna is het vredesproces volledig stilgevallen.

Palestijnse exclusiviteit

Na de dood van Arafat (november 2004) werden nieuwe presidentsverkiezingen uitgeschreven. Mahmoud Abbas won als kandidaat voor Fatah met ruime voorsprong deze verkiezingen, die geboycot werden door rivaal Hamas. Abbas kondigde onmiddellijk aan dat hij met Israël verder wilde onderhandelen over een vredesregeling. In 2006 volgden parlementsverkiezingen. Het radicaal islamitische Hamas haalde hierbij de meerderheid in het parlement, maar beide partijen werden het niet eens over hoe het nu verder moest. Hamas trad in Gaza hard op tegen Fatah en greep er de macht. Op de Westbank vestigde Abbas een Fatah-bestuur.

Hamas staat voor verzet tegen Israël. Niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk. De vele raketaanvallen op Israëlische burgerdoelwitten bewijzen dit voortdurend. Om religieuze redenen wil het geen centimeter grond aan Israël afstaan, want wat eens islamitisch bezit was, moet voor altijd islamitisch blijven. Abbas heeft daar nu een akkoord mee gesloten. Feit is dat Hamas en Islamic Jihad een akkoord met Israël nooit zullen aanvaarden. De hervatting van de raketlanceringen op Israël onderstrepen dit. Daarom heeft ook Abbas, die nooit een echte achterban had, altijd het vredesproces afgeremd.

Dit alles speelt zich af in een kader van hevige interne strijd binnen de Arabische wereld. De barometer voorspelt weinig goeds voor de slaagkansen op vrede. Het ziet er naar uit dat er nog een lange weg te gaan is. Komt het einde van de tunnel ooit nog wel eens in zicht? Waar op het terrein concreet samengewerkt wordt tussen Israëli’s en Palestijnen, groeit de verstandhouding. De bouw van de gloednieuwe Palestijnse stad Rawabi wijst erop dat voor heel wat Palestijnen het uitbouwen van een normaal leven in een moderne stad een levensdoel is. Uit een Amerikaanse studie blijkt dat de tweede en derde generatie van Palestijnse vluchtelingen niet echt van plan is om terug te keren naar plaatsen die alleen van naam gekend zijn. Velen willen zich liever integreren en gelijke kansen krijgen in die landen waar ze sinds hun geboorte gevestigd zijn. Zij zouden hun recht op terugkeer best wel willen omzetten in een financiële tegemoetkoming. Helaas worden deze positieve geluiden niet opgevangen door de gepolitiseerde Ngo’s, die met hun steun aan de BDS beweging (= Boycott, Divestment en Sanctions) de tegenstellingen tussen Israël en de Palestijnen nog verder uitdiepen. Op die manier bestendigt de zelfverklaarde vredesbeweging gewoon het conflict. Want ook zij blijven zich verschuilen achter strakke ideologische schema’s.

Tweet
Share
Share
0 Shares