Het verschil tussen keppeltje, hoofddoek en pruik

Yves Leterme, Herman van Rompuy en Armand Dedecker dragen allen een keppeltje bij een bezoek aan de Brusselse synagoge
Yves Leterme, Herman van Rompuy en Senaatsvoorzitter Armand Dedecker dragen allen een keppeltje bij een bezoek aan de Brusselse synagoge

Het hoofddoekendebat woedt volop. Joodse organisaties houden zich opmerkelijk stil, ook Joods Actueel heeft geen grote trom geroerd toen het debat enkele maanden geleden opnieuw losbarstte. Niet omdat het ons niet zou aanbelangen, want dat doet het wel, maar omdat het beter is de gemoederen te laten bedaren vooraleer, te midden van alle emoties, een opinie te ventileren.

Nu de storm is gaan liggen, naar ik hoop, zou ik de verschillen tussen willen duiden tussen de islamitische hoofddoek enerzijds en de joodse symbolen zoals het keppeltje en de pruik anderzijds.

Laten we beginnen bij het keppeltje. Het dragen ervan is geen religieus gebod uit de Thora. Deze hoofdbedekking werd ingevoerd ten tijde van de Talmoed, die haar beschrijft als ‘een scheiding tussen hemel en aarde’. Het keppeltje is dus een erkenning van de aanwezigheid van het Opperwezen boven ons, boven ons hoofd. Omdat het echter geen halachische verplichting is (joodse wetgeving) werd het keppeltje jarenlang enkel in de privésfeer gedragen, thuis en in de synagoge. Op het werk en in andere publieke ruimten werd dat zo typische joodse minihoedje steeds netjes in de binnenzak opgeborgen. Het is pas sinds de jaren ‘60, in een veranderende en meer open maatschappij, dat het keppeltje ook buiten de huiselijke levenssfeer werd gedragen. Maar ook vandaag nog zijn er veel mannen die thuis wel maar op het werk niet hun keppeltje opzetten. En dat met goedkeuring van de rabbijn!

Wat moslims in ons land kunnen leren van de Joodse gemeenschap is dat het debat op de spits drijven (zoals imam Nordine Taouil deed) nooit de gewenste resultaten zal opleveren, integendeel. Men moet steeds zoeken naar een pragmatische oplossing. Toen schoolgaan op zaterdag nog een verplichting was, sloot het Antwerpse Atheneum een compromis met de Joodse studenten. Die wilden op de sabbat – hun rustdag – niet naar school gaan. Ze deden dat toch en in ruil werden er die dag geen toetsen opgelegd en mochten de studenten de notities van hun medescholieren na de sabbat overpennen.
Ja, er zijn ook Joodse scholen in België maar dat is historisch gegroeid. De school die ikzelf heb bezocht is ondertussen meer dan 120 jaar oud! Het allerbelangrijkste is echter dat wij er ons, als  minderheidsgroep, terdege van bewust zijn dat de Joodse wetten en leefregels er zijn voor onze gemeenschap. En die dienen niet te worden opgedrongen aan anderen.

Op naar de pruik (of hoed) die joodse vrouwen dragen. Is dit niet hetzelfde als de islamitische sluier? De vergelijking gaat niet op. Ten eerste omdat er bij ons geen gevallen bekend zijn van maatschappelijke druk of geweld tegen vrouwen die hun haar niet bedekken. Als een religieus joodse vrouw zo’n keuze maakt zal haar familie daar misschien niet blij mee zijn, maar daar zal het dan ook bij blijven. Ten tweede: joodse meisjes bedekken hun haar pas vanaf het moment dat ze trouwen, het haar is dan in de eerste plaats voor de eigen man. Ze maken die keuze dus als meerderjarige, zodat er op scholen sowieso geen probleem bestaat. En ten derde: Joodse vrouwen worden niet onderdrukt of als minderwaardig behandeld. Er is zelfs een pragmatische uitweg gevonden om vrouwen niet te stigmatiseren, ze dragen namelijk zoals gezegd een hoed of een pruik. Die laatste vorm van bedekking is gemaakt uit menselijk haar en is tegenwoordig zo professioneel vervaardigd dat geen kat het verschil opmerkt. En een laatste verschil tussen de islamitische sluier en de pruik is dat die laatste enkel het haar hoeft te bedekken, dus niet het hele gelaat zoals bij de hijab of het volledige lichaam zoals dat bij de boerka het geval is.

Maar nu naar de kern van de zaak. In dit debat dient men niemand iets wijs te maken, de recente vragen om religieuze symbolen te weren in onze maatschappij, eerst bij de overheiddiensten, dan bij de rechtbanken, nu op scholen, en straks misschien op elke publieke locatie, hebben niets te maken met het neutraliteitsprincipe of een plotse afkeer van religieuze symbolen. Neen, het draait allemaal om de discriminatie van de vrouw in de islam. Toen Patrick Dewael, in navolging van een rits lekenmaatregelen in Frankrijk bij ons het debat aanzwengelde in 2001 (hij was toen minister van Binnenlandse Zaken), was er maar één aanklacht in zijn discours en die betrof de schrijnende taferelen van onderdrukte moslima’s die verbaal of zelfs fysiek aangevallen werden omdat ze zich niet plooiden naar de wens van islamitische mannen. “Vrouwen als lustobjecten en meisjes die op steeds jongere leeftijd gedwongen worden een hoofddoek te dragen”, dáár draait het debat om. Wat men nu doet, door alle religieuze uitingen te verbannen, is het kind met het badwater weggooien. Dat is trouwens ook ongrondwettelijk en druist in tegen één van onze basiswaarden, te weten de vrijheid van religie. Noem een kat een kat, zeg ik dan, zeg ‘ja’ tegen religieuze symbolen in het openbaar – er is heus niets mis met een kerststal op de Meir – en zeg tegelijkertijd krachtig ‘neen’ tegen middeleeuwse, discriminerende en vrouwonvriendelijke praktijken.

Michael Freilich
Hoofdredacteur Joods Actueel

Tweet
Share
Share6
6 Shares