• Woensdag, 22 Oktober 2014
  • 28 Tishri, 5775
  • Laatste update 21 Oktober 2014 08:45

Rechter Richard Goldstone neemt het op voor Israël in New York Times opiniestuk

  • Woensdag 30 November 2011 9:10

Richard J. Goldstone, een voormalig magistraat bij het ‘South African Constitutional Court’, leidde de onderzoekscommissie van de Verenigde Naties na het conflict in Gaza in 2008-09. Hij schreef dit opiniestuk in de New York Times naar aanleiding van de vele boycotacties tegen Israël.

De hoop op een oplossing met twee staten slinkt, nu de Palestijnse autoriteit een aanvraag heeft ingediend om volwaardig lid te worden van de Verenigde Naties. Nog nooit was de nood aan verzoening tussen Israëli’s en Palestijnen zo groot. Het is dan ook erg belangrijk om een onderscheid te maken tussen de legitieme kritiek op Israël en de aanvallen die er op gericht zijn het land te isoleren, te demoniseren en te delegitimeren.

Een bijzonder schadelijke en aanslepende kwakkel is dat Israël een apartheidspolitiek zou voeren. In Kaapstad organiseerde het Russell Tribunal on Palestine, een non-gouvernementele organisatie met thuisbasis in Londen, recent een hoorzitting om uit te maken of Israël zich al dan niet schuldig maakt aan apartheidsmisdaden. Een ‘tribunaal’ is het absoluut niet. Het ‘bewijs’ zal eenzijdig zijn en de leden van ‘jury’ zijn critici van wie iedereen weet dat ze Israël telkens keihard aanvallen.

‘Apartheid’ kan een ruimere betekenis hebben, maar het wordt hier gebruikt om te verwijzen naar de situatie in Zuid-Afrika voor 1994. Het is een oneerlijk en onjuist verwijt aan het adres van Israël, dat eerder resulteert in een vertraging dan in het bevorderen van de vredesgesprekken.

Ik ken de gruwelijkheid van het weerzinwekkende Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem maar al te goed. De menselijke wezens die als ‘zwarten’ gekarakteriseerd werden, hadden geen stemrecht, ze mochten geen politieke functies uitoefenen, ze mochten geen ‘blanke’ toiletten of stranden gebruiken, ze mochten niet huwen met blanken, wonen in voor blanken voorbehouden zones was verboden, zelfs er passeren kon alleen met een speciale toelating. Zwarten die zwaargewond raakten in een verkeersongeval, bloedden dood als er geen ‘zwarte’ ambulance in de buurt was om hen naar een ‘zwart’ ziekenhuis te brengen. Het personeel van ‘blanke’ ziekenhuizen mocht hun levens niet redden.

Apartheid heeft in eerste instantie te maken met ras of etniciteit. Als we de aanval op Israël willen  beoordelen, moeten we een onderscheid maken tussen de situatie in Israël, waar de Arabische bewoners evenzeer burgers zijn, en in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, die in afwachting van een vredesakkoord onder Israëlische controle blijven.

In Israël is er geen apartheid. Niets komt nog maar in de buurt van de definitie van apartheid, zoals uitgewerkt in het Statuut van Rome in 1998: “Onmenselijke daden… begaan in de context van een geïnstitutionaliseerd regime met een systematische onderdrukking en de dominantie van één raciale groep over alle andere raciale groepen, en dat met de bedoeling dat regime in stand te houden”. De Israëlische Arabieren, die 20% van de Israëlische bevolking uitmaken, hebben stemrecht, eigen politieke partijen en vertegenwoordigers in de Knesset. Ze bekleden invloedrijke functies, tot in het Hooggerechtshof toe. Arabische patiënten liggen naast Joodse patiënten in de Israëlische ziekenhuizen en krijgen er een identieke behandeling.

Zeker, in werkelijkheid is er meer separatie tussen de Joodse en de Arabische bevolkingsgroepen dan de Israëli’s zouden mogen aanvaarden. De gemeenschappen kiezen daar in grote mate zelf voor. Soms is de separatie het gevolg van discriminatie. Maar dat is geen apartheid, want dan zou de scheiding als ideaal aanzien worden. In Israël staan de gelijke rechten in de wet ingeschreven. Ernaar streven is het ideaal. Onevenwichten worden dikwijls met succes voor de rechtbanken aangevochten.

De situatie op de Westelijke Jordaanoever is ingewikkelder. Maar ook hier is er geen sprake van om “een geïnstitutionaliseerd regime met systematische onderdrukking en de dominantie van één raciale groep” te handhaven. Dat is een wezenlijk verschil, zelfs als Israël de Palestijnen in het gebied onderdrukt. De opgelegde rassenscheiding in Zuid-Afrika was bedoeld om de blanke minderheid permanent te bevoordelen, ten nadele van de andere rassen. Israël daarentegen is akkoord met het principe van een Palestijnse staat in Gaza en op bijna de volledige Westelijke Jordaanoever, en roept de Palestijnen op om over de parameters te onderhandelen.

Maar zolang er geen ‘tweestatenvrede’ is, of op zijn minst zolang aanvallen vanuit Gaza of de Westelijke Jordaanoever de Israëlische burgers blijven bedreigen, zal Israël wegblokkades en gelijkaardige maatregelen noodzakelijk vinden uit zelfverdediging, zelfs als de Palestijnen zich daardoor onderdrukt voelen. Zoals dat gaat, worden aanvallen van de ene kant door tegenaanvallen van de andere kant beantwoord. En de zware disputen, eisen en tegeneisen worden alleen maar verscherpt als het etiket ‘apartheid’ er wordt opgekleefd.

Zij die proberen de mythe van de Israëlische apartheid te promoten, focussen vaak op gevechten tussen zwaarbewapende Israëlische soldaten en met stenen gooiende Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Ze wijzen ook vaak op de bouw van de zogenaamde apartheidsmuur en op de ongelijke behandeling op de wegen op de Westelijke Jordaanoever. Die voorbeelden nodigen uit tot een oppervlakkige vergelijking, maar het is oneerlijk om ze te gebruiken om de werkelijkheid te hervormen. De veiligheidsmuur werd gebouwd om de veelvuldige terreuraanslagen aan te pakken. Op sommige plaatsen zorgde de bouw van de muur voor grote problemen bij de plaatselijke bewoners. Het Israëlische Hooggerechtshof beval de staat in heel wat gevallen om de muur te verplaatsen, zodat de ontberingen voor de bewoners zo beperkt mogelijk werden gehouden. De beperkingen om het wegennet te gebruiken worden strikter toegepast na gewelddadige aanslagen, maar zijn milder als de dreiging minder groot is.

Natuurlijk streeft het Palestijnse volk naar een eigen staat en naar mensenrechten die door iedereen gerespecteerd worden. Maar zij die de situatie in Israël en op de Westelijke Jordaanoever voortdurend vergelijken met die in het oude Zuid-Afrika, bewijzen een slechte dienst aan allen die hopen op rechtvaardigheid en vrede.

De Joods-Arabische relaties in Israël en op de Westelijke Jordaanoever kunnen niet vereenvoudigd worden tot een verhaal van Joodse discriminatie. Er is vijandigheid en argwaan aan beide kanten. Israël, en dat is uniek voor een democratie, is in staat van oorlog geweest met heel wat van de buurlanden, die het bestaan van de staat Israël niet aanvaarden. Zelfs Israëlische Arabieren – die staatsburgers van Israël zijn – werden door andere Arabieren als verdacht beschouwd, een gevolg van die aanslepende vijandigheid.

De wederzijdse erkenning en bescherming van de waardigheid van alle mensen is onontbeerlijk om een einde aan de haat en de woede te maken. De beschuldiging dat Israël een apartheidsstaat zou zijn, is vals en boosaardig. Het sluit vrede en harmonie eerder uit dan ze te bevorderen.