• Zaterdag, 19 Augustus 2017
  • 27 Av, 5777
  • Laatste update 25 Juli 2017 11:34

Chanoeka is gestart, 8 dagen feest van het licht

  • Woensdag 27 November 2013 18:40

Op 27 november werd dit jaar in de Joodse gemeenschap de eerste kaars van de chanoekakandelaar aangestoken. Het acht dagen durende feest begint altijd op de 25ste dag van de Joodse maand kislev wat gewoonlijk valt inde periode eind november – eerste helft van december.

Achtergrond

Gedurende de periode van de Tweede Tempel – ongeveer 2200 jaar geleden – vaardigde de Hellenistische Syrische regering allerlei decreten uit tegen het Joodse volk in een poging hun religie uit te roeien. Zo verboden zij de Joden Thora te studeren en mitsvot (geboden) uit te voeren. Ook staken zij hun handen uit naar de bezittingen van de Joden en lieten zij hun doch­ters niet met rust. Hellenisten drongen het Beet Hamikdasj, de Tempel te Jeruzalem, binnen en haalden er alles overhoop. Ze plaatsten er een afgodsbeeld van Zeus en veront­reinigden al wat rein was.

De Joden werden zwaar onderdrukt en hadden veel onder de Grieken te lijden totdat Hasjem, de G-d van hun voorvade­ren medelijden met hen kreeg en hen verloste. De zonen van de Chasmo­nee­ërs, de Hogepriesters, overweldigden de Griekse overheersers, versloegen hen en verlosten de Joden uit hun handen. Zij benoemden één van de kohaniem, priesters, tot koning. Zo werd de soevereiniteit van Israël voor een periode van meer dan tweehonderd jaar hersteld, tot de vernietiging van de Tweede Tempel in 70 n.d.g.j.

De Joden overmeesterden en vernietigden hun vijanden op de 25ste van de Joodse maand Kislev. Op die dag gingen zij het Heiligdom binnen maar zij konden niet meer dan één kruikje zuivere olie vinden met daarop het on­ge­schonden zegel van de Hogepriester. Dat kruikje bevatte genoeg olie om de grote kandelaar, de menora, in het Heilig­dom precies één dag te laten branden. Maar G-d beloonde hen met een won­der: zij konden de menora gedurende acht dagen aansteken met dat ene kruikje. In die acht dagen hadden zij genoeg tijd om nieuwe, zuivere olie uit geperste olijven te produ­ceren.

Om die reden bepaalden de chachamiem (geleerden) van die generatie dat men voor­taan ieder jaar gedurende acht dagen, te beginnen op de 25ste Kislev, dit heuglijke feit zou vieren en G-d daarvoor zou prijzen. De lichtjes van de kandelaar worden iedere avond aangestoken bij de in­gang van de woningen, zodat het wonder aan iedereen wordt be­kendge­maakt.

Twee betekenissen

Deze dagen werden daarom voortaan Chanoeka genoemd. Dat woord heeft twee betekenissen. Men kan het verde­len in twee woorden: chanoe en ka. Chanoe betekent in het Hebreeuws: zij rustten, ter­wijl ka in het Hebreeuws wordt geschreven als Chaf-Hee hetgeen 25 betekent, dus: zij, de Chasmoneeërs, rustten van hun vijanden op de 25ste. De tweede betekenis is ‘inwijding’, want op die dag werd de Tempel opnieuw ingewijd, nadat hij door de vijanden was ont­wijd. Het hoofd van ieder huisgezin moet zijn kinderen de geschiedenis vertellen van het wonder dat onze voorvaderen overkwam in die da­gen. Alleen een feestmaaltijd is niet voldoende om de mitsva uit te voeren. Men moet ook lofprijzingen, de Halleel, voor G-d zingen, wat gebeurt tijdens de dienst in de synagoge. Het is de gewoonte om royaal tsedaka (liefdadigheid) te geven gedurende Chanoeka, want dat is een uitgelezen gele­genheid om onze tekortkomingen te verbeteren. Deze tsedaka dient met name gericht te zijn op de on­der­steuning van arme Thora-geleerden.

Achtergronden

Hoewel wij Joden slechts een kleine minderheid vormen van de wereldbevolking, hebben wij toch de bijna onmogelijke taak gekregen om de hele wereld te verlichten met het licht van de Thora. Wij worden geacht een licht voor de volkeren te zijn. Is dat niet wat te veel gevraagd? Neen, onze chachamiem (wijzen) stelden: ‘Aansteken is de mitsva’. Hiermee geven zij ons een hint van wat er van ons verwacht wordt. Het aansteken is de hoofdzaak, zegt de Talmoed. De Thora heeft natuurlijk zelf het G’ddelijke potentieel om overal geaccepteerd te worden. Maar wat er van ons verlangd wordt, is dat wij hiermee een begin maken, ondanks alle obstakels. Het aansteken is onze plicht, de rest mogen wij overlaten aan de krachtige G’ddelijke boodschap van de Thora.

Zeven Armen

De zeven armen van de Tempelmenora staan tegenover de zeven Scheppingsdagen. Wij leven in een driedimensionale wereld. Ons universum kent drie dimensies: lengte, breedte en hoogte. Omdat iedere dimensie twee richtingen heeft, kent onze fysieke wereld zes ‘richtingen’: boven, beneden, links, rechts, voor en achter. Daarom werd de wereld ook in zes dagen geschapen. De sabbat verenigt alle krachten van onze driedimensionale wereld. Het getal zeven symboliseert de perfectie van de aardse Schepping. De wereld was gereed na zeven dagen. Door op de zevende dag te rusten, gaf G’d een centraal doel aan de Schepping en al ons aardse streven. De zes armen, die voortkomen uit de centrale stang van de Tempelmenora, symboliseren deze eenheid en geven zo inhoud aan ons geloof: we zien de krachten van het universum niet als ongerelateerde, losstaande eenheden maar als alle voortkomend uit de Eenheid, die de wereld zijn samenhang verleent: de eenheid van G’d. Dit was ook de oorlogskreet van de Maccabeeërs: “Wie is als U onder de machten, ó G’d”.

Afgoderij is verdeeldheid

De klassieke afgoderij kende voor alle aardse fenomenen een afzonderlijke god. Zo was er een god van de wijsheid, één voor de liefde, een andere voor de schoonheid – ieder gebeuren had zo zijn eigen god. Wij Joden zien alles echter gerelateerd aan de oorspronkelijke Eenheid der dingen. Voor ons geldt, dat ‘verafgoding’ van een macht of kracht (de mammon, macht, economie, schoonheid, kracht, bodybuilding etc.) los van zijn oorsprong werkelijk afgoderij is. De ‘Kulturkampf’ met de Hellenisten, die de Joden probeerden over te halen tot veelgodendom, was, kort maar krachtig samengevat, de strijd tegen de Eenheidsgedachte, die de menora uitstraalde. Daarom kreeg het opnieuw aansteken van de menora in de Tempel, na de ontwijding door de Grieks-gezinde Syriërs, extra aandacht.

De rol van de dames

Het is toegestaan om gedurende Chanoeka te werken. Vrouwen volgen echter de gewoonte om geen werk te verrichten gedurende de tijd dat de kandelaarlichtjes branden. De reden dat vrouwen hierin strenger zijn dan mannen, is omdat de Hellenistische decreten speciaal voor de vrouwen erg hard aankwamen. Zij had­den bepaald dat ieder meisje dat ging trouwen eerst met de gouver­neur moest slapen.

Maar er is meer. Het wonder van Chanoeka werd ook tot stand gebracht door toedoen van een vrouw. Jehoediet, de dochter van Jochanan, de koheen gadol(de Hogepriester). Zij was heel erg knap. De vijandelijke regeerder had haar voorgesteld om met hem te slapen. Zij deed alsof zij daarin toestemde. Toen ze in zijn tent aankwam, maakte ze allerlei kaasgerechten voor hem klaar, die hem erg dorstig maakten, waardoor hij veel wijn dronk. Hij werd daar slaperig van. Toen hij eenmaal in diepe slaap was, hakte zij diens hoofd af en bracht dat naar Jeruzalem. Toen de legerleiders zagen dat hun aanvoerder verslagen was, vlucht­te het leger. Ter herinnering aan dit won­der hebben sommigen de ge­woon­te om melkkost te eten op Chanoeka.

De praktijk

Iedere soort olie mag gebruikt worden voor de kandelaar. Maar men voert de mitsva het mooiste uit als men olijfolie gebruikt, omdat ook het wonder in het Beet Hamikdasj, de Tempel in Jeruzalem, met olijfolie gebeurde.

Wanneer er geen olijfolie beschikbaar is, mag men ook andere lich­te en zuivere olie gebruiken. En anders gebruikt men kaarsen van bijen­was, want die geven ook een zuivere vlam. Men moet geen twee pitten bij elkaar doen, want dan krijgt men een soort fakkel. Men moet een enkele pit gebruiken. De pitten voor de Chanoekakaarsen mogen ook van alle soorten ma­te­riaal gemaakt zijn. Maar de beste manier om de mitsva uit te voe­ren is door katoenen pit­ten te gebruiken. Het is niet nodig iedere avond nieuwe pitten te gebruiken. De minhag van de Asjkenaziem is, dat ieder gezinslid iedere avond een extra licht aansteekt naar de opvatting van Maimonides, de Rambam. De minhag van de Sefardiem is, dat iedere huishouding iedere avond een extra licht aansteekt naar de opvatting van de Tosafot.

Een keuzeprobleem

In principe is het beter de Chanoekalichten met olijfolie aan te steken dan dit met kaarsen te doen. Als men echter niet voldoende geld heeft voor olijfolie maar wel voldoende geld heeft om kaarsen aan te schaffen, dan staat men voor het volgende probleem. Men zou olijfolie kunnen kopen en hiermee slechts één lichtje per avond aansteken maar men kan ook kaarsen kopen en hiermee de mitsva vervullen naar de opvatting van de heel preciezen, de mehadrien min hamehadrien (iedere avond één kaarsje meer). De Misjna Beroera en de Chajee Adam – twee 20e eeuwse Poskiem (geleerden) – beslissen voor de praktijk, dat het bij dit keuzeprobleem beter is kaarsjes te kopen om de mitsva te vervullen volgens de opvatting van de mehadrien min hamehadrien, die voorschrijven om iedere avond een kaarsje extra aan te steken.

Reiziger op Chanoeka

De toenemende internationale handelsbetrekkingen hebben ook de halacha (joodse wetgeving) niet onberoerd gelaten. Zo kan het voorkomen dat de vrouw des huizes met haar kinderen in Europa zit maar de heer des huizes in Hong Kong of New York. Rabbi Mosje Isserles (1520 -1577) oordeelt dat de heer des huizes op zijn hotelkamer ook moet aansteken (n.b. let op de brandsproeiers!). Omdat zijn vrouw ongetwijfeld ook thuis aansteekt – en dit in feite het belangrijkste aansteken vormt – en ook de man hiermee zijn plicht vervult, raadt Misjna Beroera (677:15 en 16) aan dat de uithuizige ba’al habajit (heer des huizes) specifiek de bedoeling moet hebben om niet met de Chanoekalichten van zijn vrouw zijn plicht om aan te steken te vervullen. Indien mogelijk – in Hong Kong lukt dit makkelijk, in New York is dit zeer moeilijk – moet de heer des huizes in den vreemde aansteken voordat er bij hem thuis wordt aangestoken.

Te land, ter zee en in de lucht

De grote technische ontwikkelingen op vervoersgebied stelden onze geleerden nog voor andere vragen. Een reiziger zal nogal eens op plaats A slapen en op plaats B (bijv. in een restaurant) eten. Over het algemeen stellen de poskiem (wetsgeleerden) dat de plaats waar men de maaltijd gebruikt, de aansteekvoorkeur verdient.

Deze vraag werd reeds lang geleden behandeld door Rabbi Sjalom Mordechai, de befaamde Maharasjam (4:146). Maharasjam vraagt zich af of een kajuit wel een woning heet. Hij beantwoordt deze vraag positief. Als men voor de zitplaats betaalt, is men een huurder van die plaats en dit verplicht om aldaar aan te steken. Dat het schip beweegt, dus geen vaste ‘voet op aarde’ heeft, vormt geen bezwaar. Hoewel Rasjie (1040 -1105) nog zegt dat een kapitein op zijn schip niet hoeft aan te steken, ziet deze vrijstelling alleen op oude, open schepen, waar het erg winderig was. De tegenwoordige kajuiten zijn echter vergelijkbaar met een woning aan vaste wal.

Aansteken in een vliegtuig?

In een vliegtuig aansteken zal moeilijker zijn. Brandgevaarlijk? Maar in het rokersgedeelte mocht men ook vuur maken! Rabbi Betsalel Stern (20e eeuw) behandelt de vliegtuigvraag (Responsa 4:127). Voor de praktijk paskent (beslist) hij, dat als het mogelijk is in een kommetje of iets dergelijks op de zitplaats of in de keuken van het vliegtuig aan te steken zonder brandgevaar en het cabinepersoneel toelaat, dat de menora een half uur brandt, men kan aansteken met beracha, zegen. Maar als het op bijvoorbeeld de zevende dag onacceptabel is om zeven kaarsen aan te steken, steekt men één kaarsje aan – want dit is de minimum verplichting – en plaatst men dit op het tafeltje voor de zitplaats. Als ook dit onmogelijk is, steekt men zonder beracha één of meerdere kaarsjes aan. Als anderen de menora doven is dit beter maar als de aansteker hiertoe zelf verplicht wordt, mag hij de menora ook zelf doven. Elektrisch licht als Chanoekakaarsjes wordt door de meeste poskiem (wetsgeleerden) afgekeurd. Deze optie is dus niet echt bruikbaar in een vliegtuig.

Het oversteken van de datumgrens

De problematiek rond de datumgrensheeft eveneens vele pennen in beweging gezet. Ik zal uit de inmiddels omvangrijke literatuur hierover slechts één voorbeeld behandelen: iemand die ten westen van de datumgrens woont en op 23 Kislev vertrekt en over de Beringstraat – dus oostwaarts – vliegt, bevindt zich in een moeilijke positie. Eén avond later is het bij hem thuis 24 Kislev, in zijn hotel is het al 25 Kislev, de eerste avond Chanoeka. Is de plaats waar hij nu verblijft een Joodse plaats en wil hij daar ook alle acht dagen Chanoeka blijven, dan volgt hij de datum van de plaats van verblijf en steekt hij dus één kaarsje aan. Is dit geen Joodse plaats, dan is onze reiziger gehouden aan de datum van de plaats van vertrek en steekt hij dus niet aan (vgl. Responsa Betseel hachogma 1:31). In dit laatste geval behoudt hij dus de status van zijn plaats van oorsprong omdat hij nog niet in een nieuwe Joodse nederzetting aangekomen is, waar hij zich zou kunnen aanpassen aan de lokale minhag (gewoonte).

Enkele details van de menora

In de Talmoed wordt de vraagniet behandeld hoe de menora er uit dient te zien. In principeis het toegestaan kaarsen op tafel te zetten. Het gebruik van een menora is niet echt verplicht. Niettemin moet men proberen een zilveren menora te kopen, omdat men iedere mitswa zo fraai mogelijk moet vervullen.

Hoewel een metalen menora teprefereren is, mag men ook een kandelaar van ander materiaal gebruiken. Een glazen exemplaar voldoet ook. Een menora van klei mag echter slechts voor één avond gebruikt worden omdat een kleien kandelaar na eenmalig gebruik vies wordt en dit nietpast bij een mitswa.

Wil men olie branden dan mag men dit niet doen in eierschalen of vruchtenschillen. Uitgeholde aardappelen mogen eveneens niet gebruikt worden. Een menora, die zonder steun van andere objecten niet zelfstandig blijft staan, is ongeschikt.

De kandelaar hoeft eveneens niet een geheel te vormen. Op de tweede avond mag men twee whiskyglazen nemen, deze gedeeltelijk vullen met water, olie toevoegen – olie drijft immers op water – er pitten in doen en aansteken! Het is zelfs toegestaan om bijvoorbeeld op de zesde avond een bord te vullen met olie en de zes pitten rond het bord te draperen, zodat zes lichtjes aangestoken kunnen worden. Om echter te voorkomen, dat dit geheel op een ‘fakkel’ gaat lijken, moet men een scheiding tussen de pitten aanbrengen.

Ook bij kaarsen moet men erop letten tussen de kaarsen een afstand van minimaal een duimbreedte in acht te nemen. De kaarsen of olielampjes moeten in een rechte lijn staan, omdat lichten in een cirkel op een ‘fakkel’ lijken. Hoewel het zo is, dat kaarsen of olielampjes, die op voldoende afstand van elkaar staan, niet als een fakkel beschouwd kunnen worden, raden vele poskiem (wetsgeleerden) niettemin een rechte lijn aan. Het is daarom beter ook geen menora te gebruiken, waarbij de lichtjes in een halve cirkel staan. Ook wordt aangeraden de lichtjes in een rechte rij te plaatsen en er op te letten, dat niet een lichtje wat naar achter staat en een ander iets naar voren. Chanoeka same’ach, een vrolijk chanoekafeest!

Dayan mr. Drs. R. Evers
Rabbijn Evers is rabbinaal rechter (Dayan) in Rotterdam. Hij is ook actief bij het NIK, de overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten in Nederland. In 1989 ontving hij rabbinale bevoegdheid (semichah) van tien verschillende vooraanstaande autoriteiten, waaronder rabbijn Moshe Halberstam van de Edah HaChareidis. Evers studeerde fiscaal recht en klinische psychologie in Amsterdam.