Eva Brems (Groen) verkoopt leugens in het parlement

brems2
Eva Brems vertelde de assemblée gisteren enkele onwaarheden

In verschillende artikels die in de media verschenen wordt het Joods Nationaal Fonds ervan beschuldigd discriminerend te werk te gaan omdat de organisatie, samen met de Israel Land Authority (ILA) 93% van het grondgebied in Israël zou beheren en dit enkel toegankelijk zou maken voor Joden. Dat schreef Eva Brems (Groen) in Knack en ze hernam dat betoog gisteren in het federaal parlement. Ook anderen namen deze argumentatie , afkomstig van anti-Israël ngo’s, over niettegenstaande deze informatie manifest onwaar is.

Michael Freilich

In werkelijkheid is 86% van alle grond in Israël toegankelijk voor zowel Joden als Arabieren. Slechts voor 14% van het grondgebied gelden aparte regels omdat dit land in handen is van een privé-organisatie die zelf mag beslissen hoe en wat ze met haar eigendom doet. En zelfs op die 14% gelden de beperkingen enkel in theorie en niet in de praktijk omdat Arabische Israëli’s niet bij wet gediscrimineerd mogen worden. Verschillende arresten van het Hooggerechtshof hebben er dan ook voor gezorgd dat in de praktijk zowel Joden als Arabieren toegang hebben tot alle gronden in Israël.

Dit was het verhaal in het kort, hier volgen de details voor wie wil weten hoe de vork echt aan de steel zit. En daarvoor moeten we de geschiedenis induiken. De deelnemers aan het vijfde Zionistisch Congres (1901) wilden het ontstaan van een thuisland voor de Joden concreet vorm geven. Daarom werd een stichting opgericht, het Joods Nationaal Fonds. Doel ervan was wereldwijd geld in te zamelen om systematisch gronden te kopen in Palestina. Palestina was op dat ogenblik een gebied in de uithoek van het Turkse (Ottomaanse) rijk. Zo werd een langetermijnproject op het getouw gezet, waarbij stap na stap kibboetsen en andere Joodse nederzettingen opgericht werden. Het project kreeg in 1948 zijn bekroning met de stichting van de onafhankelijke staat Israël. De gronden werden aan de nieuwe staat overgedragen met in achtname van de principes van het internationaal recht terzake. Na de mislukte invasie door de Arabische buurlanden, nam de Israëlische overheid daarop ook de gronden, die achtergelaten waren door Arabische vluchtelingen, in bezit.

In 1960 werd een “basiswet over het landbezit in Israël” aangenomen waardoor land niet verkocht zou worden maar verpacht (geleased) voor een periode van 99 jaar. Het Joods Nationaal Fonds bleef eigenaar van zijn gronden maar gaf het beheer ervan uit handen aan een nieuwe organisatie, de Israël Land Administratie (ILA).

Op dit moment is 79,5% van het totale landoppervlak eigendom van de overheid, 14% is eigendom van het Joods Nationaal Fonds, de overige 6,5% is in handen van privé-eigenaars (zowel Joden als Arabieren). Het ILA beheert en verpacht bijgevolg 93,5% van het grondbezit (79,5 + 14%).

Het staatsland is via de ILA beschikbaar voor alle Israëlische staatsburgers. Dat ook de Arabische Israëli’s hierop aanspraak kunnen maken is niet alleen in theorie juist, maar wordt ook door de feiten bevestigd. Een voorbeeld: in Opper-Nazareth leeft een gemengd Joods-Arabische bevolking, alle gronden, zowel van Joden als Arabieren worden er verpacht door de ILA.

Positieve discriminatie

In sommige gevallen verkrijgen Arabische Israëli’s zelfs gunstigere voorwaarden dan Joodse staatsburgers. In een nieuwe Joodse gemeente in de nabijheid van Bersheva werd bouwgrond voor $24.000 geleasd. Bedoeïnenfamilies uit het naburige Rahat konden bouwgrond met een gelijkaardige oppervlakte voor $150 leasen. In een ander geval wilde een Joodse burger land pachten in een nieuw opgerichte Bedoeïnengemeente tegen dezelfde gunsttarieven. De ILA weigerde hierop in te gaan. De zaak werd beslecht voor de rechtbank: de zaak Avitan vs Israel Land Administration (HC 528/88). Het Hooggerechtshof oordeelde dat het gelijkheidsprincipe niet geschonden werd omdat er sprake was van positieve discriminatie ten voordele van de (kansarme) Bedoeïnen.

Bovendien zijn er geen beperkingen bij het verwerven van de 6,5 % privé grond. Die kan niet alleen aan Joodse en Arabische Israëli’s verkocht worden, maar ook aan wie geen Israëlisch staatsburger is dus ook aan buitenlanders, zelfs uit Arabische landen.

Voor de 14 % grond die eigendom is van het JNF gelden wel beperkingen. Deze grond is volgens de statuten van het JNF bedoeld voor de vestiging van Joden. Want laten we niet vergeten, het gaat hier om geld ingezameld van Joodse mensen over de hele wereld, specifiek om grond in Israël op te kopen om andere Joden te helpen huisvesten. M.a.w. het JNF is een privé-initiatief waarvan de beheerders zelf kunnen beslissen wat er met het land gebeurt. Het is net zoals Natuurpunt Vlaanderen ook geen projecten voor Walen gaat opzetten.

Toch is niet iedereen in Israël blij met deze situatie. Het Israëlische Oppergerechtshof heeft de Staat verboden om nog overeenkomsten te sluiten met het Joods Nationaal Fonds die zouden kunnen uitmonden in discriminatie ten nadele van niet-Joodse staatsburgers. Want een officieel orgaan als het ILA, moet zich zo neutraal mogelijk opstellen, ook al beheert het grond van de JNF. Maar in de praktijk zijn er ook vaak creatieve oplossingen. Zo zijn er veel gevallen bekend waarbij grond voor huisvesting van eigenaar verandert om aan Arabische Israëli’s te kunnen leasen. Daarbij draagt het JNF de grond over aan de overheid in ruil voor andere grond.

Geen simpele zaak

De kwestie van het grondbezit in Israël is geen eenvoudige zaak en wordt in het maatschappelijk debat heel vaak verkeerd voorgesteld om Israël te beschuldigen. Dit stuk heeft aangetoond hoe de zaken wel in elkaar steken en de conclusie is de volgende, 86% van de grond in Israël (d.i. privé grondbezit en land van de staat) is voor alle Israëli’s beschikbaar, ongeacht hun religie. Voor 14% van het grondgebied (dat bezit is van een privé organisatie) gelden aparte regels die in de praktijk vaak worden omzeild. Belangrijkste element bij dit alles is dat Arabische Israëli’s niet bij wet gediscrimineerd worden en dezelfde rechten genieten als Joodse inwoners.

En bij de Arabische buren?

Om af te sluiten nog dit. Terwijl in het Westen grondbezit gezien wordt als een individueel recht, los van enige godsdienstige of filosofische overtuiging, beschouwt de islam grondbezit als een collectief recht dat uit de godsdienst voortvloeit. Eens een gebied geïslamiseerd werd dan moet dit zo blijven. Deze opvatting komt duidelijk tot uiting in het handvest van Hamas, maar heeft een veel bredere draagkracht. Ook binnen de “gematigde” Fatah dat de controle heeft over de Westbank leeft die opvatting. In 1997 voerde de Palestijnse Autoriteit een vroegere Jordaanse wet (1973) in, om de verkoop van gronden op de Westbank aan de “bezetters” te verbieden.

Verkoop van land aan de “bezetter” wordt beschouwd als hoogverraad, waarop de maximumstraf staat (d.i. de doodstraf). Op zijn minst vier Palestijnen werden hiervoor ter dood gebracht, een andere Palestijn kon ontsnappen met de hulp van de Israëli’s. Dergelijke wetten druisen in tegen de bepalingen van de Oslo-akkoorden en de internationale verklaring van de mensenrechten en tonen aan dat wat de Israëli’s verweten wordt (niet klopt) maar wel aan Palestijnse kant gebeurt. De wereld op zijn kop… maar dat plaatje kennen we al langer.

Tweet
Share
Share
0 Shares